Centrale Raad van Beroep, 16-04-2002 / 99/4410 NABW, 99/4411 NABW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE3716

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-16
Publicatiedatum
2002-06-06
Zaaknummer
99/4410 NABW, 99/4411 NABW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2002, 198
  • JABW 2002, 104
  • USZ 2002/195
Uitspraak

99/4410 NABW

99/4411 NABW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant] en [appellante], wonende te [woonplaats], appellanten,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen, op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 7 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens nog nadere stukken ingezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van 5 maart 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Lemmen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Brouns, werkzaam bij de gemeente Roermond.


II. MOTIVERING


[appellant] (appellant) is [in] 1994 gehuwd met [appellante] (appellante), van Spaanse afkomst. [In] 1995 is hun beider kind geboren.


Bij besluit van gedaagde van 26 april 1995 is aan appellant met ingang van 6 maart 1995 een bijstandsuitkering verstrekt naar de norm voor een éénoudergezin. Daarbij is overwogen dat ten behoeve van appellante geen uitkering kan worden verstrekt daar zij niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Appellanten hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend.


De bijstandsuitkering van appellant is bij besluit van 12 november 1996 met ingang van 1 november 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant heeft hierin berust.


Op 17 maart 1997 hebben appellanten gedaagde verzocht om hen alsnog met ingang van 6 maart 1995 bijstand te verlenen naar de norm voor gehuwden in plaats van de hem toegekende bijstand naar de norm voor een éénoudergezin. Gedaagde heeft dat verzoek bij besluit van 15 mei 1997 afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit van 28 september 1998 heeft gedaagde dat besluit gehandhaafd.

Gedaagde heeft appellanten eerst met ingang van 7 maart 1997 in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden.


In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van gedaagde in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad overweegt hieromtrent het volgende.


De Raad stelt vast dat hier aan de orde is een verzoek van appellanten aan gedaagde om terug te komen van zijn eerdere, rechtens onaantastbare besluit van 26 april 1995.

Genoemd verzoek is gebaseerd op de omstandigheid dat door de Staatssecretaris van Justitie bij beschikking van 7 maart 1997 aan appellante alsnog een verblijfsvergunning is verleend, met ingang van 6 maart 1995, geldig tot 6 maart 1996, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot 6 maart 1998 en onder daaraan verbonden voorwaarden.


Tussen partijen is niet in geschil dat hier sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook de Raad gaat hiervan uit.


Niettemin heeft gedaagde het onderwerpelijke verzoek van appellanten niet ingewilligd.

Gedaagde achtte de enkele omstandigheid dat de Staatssecretaris van Justitie op 7 maart 1997 aan appellante met ingang van 6 maart 1995 een vergunning tot verblijf heeft verleend, daarvoor onvoldoende. Blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde heeft gedaagde bij zijn besluitvorming voorts onder meer in aanmerking genomen dat honorering van het verzoek van appellanten ten materiële neerkomt op het verlenen van bijstand over een voorbije periode waartoe in het kader van bijstandsverlening in het algemeen geen ruimte bestaat.

Dat is in het onderhavige geval naar het oordeel van gedaagde niet anders, waarbij hij erop heeft gewezen dat niet is gebleken dat in de onderwerpelijke periode van 6 maart 1995 tot 7 maart 1997 niet is voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante; appellant ontving in die periode een bijstandsuitkering op basis waarvan ook appellante tegen ziektekosten was verzekerd; tevens is aan appellant in de genoemde periode bijzondere bijstand om niet verstrekt tot een bedrag van f 2.100,-- voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, terwijl die goederen normaliter uit de uitkering moeten worden betaald; ten slotte is de moeder van appellant kennelijk bij tijd en wijle financieel bijgesprongen.


De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de Staatssecretaris van Justitie aan appellante op 7 maart 1997 een vergunning tot verblijf met ingang van 6 maart 1995 heeft verleend, onvoldoende is om gedaagde gehouden te achten om het verzoek van appellanten om terug te komen van het besluit van 26 april 1995, in te willigen.


Zoals in de aangevallen uitspraak met juistheid is overwogen, dient immers een weigering om van een in rechte onaantastbaar geworden besluit terug te komen te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken.


De Raad is niet tot het oordeel kunnen komen dat gedaagdes thans bestreden besluit het hiervoor geformuleerde toetsingskader niet kan doorstaan. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat inderdaad niet is gebleken dat in de onderhavige periode niet is voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Van het ontstaan in die periode van aantoonbare schulden, waaraan daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden, is niet gebleken. Voorts kan de Raad er niet aan voorbij zien dat appellant blijkens de gedingstukken in de periode (kort) voor de toekenning van bijstand per 6 maart 1995, bezien vanuit het oogpunt van bijstandsverlening, aanzienlijke middelen heeft verworven waarvan hij gedaagde bij zijn aanvraag om bijstand per 6 maart 1995 geen mededeling heeft gedaan.

Het moet ervoor worden gehouden dat hij die middelen heeft kunnen aanwenden om in de kosten van het bestaan van appellante te voorzien.


De Raad komt mitsdien tot het oordeel dat het bestreden besluit van 28 september 1998 en de aangevallen uitspraak, voorzover deze is aangevochten, in stand kunnen blijven.


De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.


Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

16 april 2002.


(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.


(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.