Centrale Raad van Beroep, 14-02-2002 / 01/1767 AW, 01/2669 AW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE7613

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-02-14
Publicatiedatum
2002-09-16
Zaaknummer
01/1767 AW, 01/2669 AW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2002/92
Uitspraak

01/1767 AW

01/2669 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het bestuur van het Instituut Werkvoorziening Zuid-Oost [X.], appellant,


en


B.F. Berg, wonende te Elst, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 februari 2000 (lees: 6 februari 2001), nr. SBR 00/2350, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Beide partijen hebben een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan, waarop de President van de Raad bij uitspraak van 25 juni 2001, nrs. 01/2476 AW-VV en 01/2683 AW-VV, de werking van de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op het aan gedaagde gegeven strafontslag heeft geschorst en heeft bepaald dat appellant gedaagde met ingang van 1 juni 2001 in rechtspositioneel opzicht behandelt als ware dit ontslag verleend met aanspraak op wachtgeld als in de uitspraak is overwogen.


Namens gedaagde is beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de fictieve weigering een nieuw besluit op bezwaar te nemen ter zake van het strafontslag. De rechtbank heeft dit beroep ter behandeling doorgezonden aan de Raad.

Namens gedaagde zijn nadere gronden voor dit beroep ingediend.


Namens appellant is inzake laatstgenoemd beroep een verweerschrift ingediend.


Van de zijde van appellant is desgevraagd nog een aantal stukken aan de Raad toegezonden.


Namens gedaagde is zijn standpunt aangaande het strafontslag bij schrijven van 31 december 2001 (met bijlagen) nog nader toegelicht.


Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Verheyden, advocaat te Zutphen en mr. M.A.H. de Kok, werkzaam bij het Instituut Werkvoorziening Zuid-Oost [X.]. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Th. A. Velo, advocaat te Utrecht.



II. MOTIVERING


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.


1.1. Gedaagde, geboren in 1945, was vanaf 1979 werkzaam bij de Gemeenschappelijke Regeling "Instituut Werkvoorziening Zuid-Oost [X.]" (verder: het Instituut), waarvan de activiteiten zijn ondergebracht in de zogenoemde "IW4 bedrijven". Sinds 1986 is gedaagde werkzaam geweest in de functie van algemeen bedrijfsleider bij één van de drie bedrijven van IW4 bedrijven, zijnde een werkverband voor cultuur- en civieltechnische objecten, thans [V.] geheten. In die hoedanigheid vervulde hij namens IW4 bedrijven tevens de functie van bedrijfsdirecteur van [W.] B.V. (verder: [W.] B.V.), welk bedrijf in 1999 is opgericht en gevestigd is op het terrein van [V.] en waarvan het Instituut via de rechtspersoon IW4 Beheer N.V. 50% aandeelhouder is; laatstgenoemde rechtspersoon fungeert tevens als statutair directeur. De overige 50% van de aandelen waren in handen van [O.] C.V., via [P.] B.V., die eveneens statutair directeur van [W.] B.V. was. Namens [O.] C.V. trad [C.] als bedrijfsdirecteur op. Beide bedrijfsdirecteuren hadden gelijke bevoegdheden.


1.2. Nadat op 16 en 17 augustus 2000 een partij grond van het terrein van [W.] B.V. is afgevoerd zonder toereikend analyserapport, hetgeen in strijd was met de toen van toepassing zijnde vergunningvoorschriften, is gedaagde namens appellant bij besluit van 5 september 2000 met onmiddellijke ingang geschorst en is hem de toegang tot alle gebouwen en bedrijfsterreinen van het Instituut ontzegd.

Bij besluit van 20 september 2000 heeft appellant gedaagde in verband met plichts-verzuim een disciplinaire straf opgelegd in de vorm van onvoorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang. Na gemaakt bezwaar zijn deze besluiten gehandhaafd bij besluit van appellant van 22 november 2000.


1.3. De rechtbank heeft het namens gedaagde tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd (gezien de overwegingen in de uitspraak is bedoeld het bestreden besluit te vernietigen voorzover daarbij het ontslagbesluit is gehandhaafd), met bepalingen over griffierecht en proceskosten.


2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in dit geding overigens voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.


2.1. In geding is allereerst of het bij het besluit van 22 november 2000 gehandhaafde strafontslag in rechte houdbaar is.

De Raad overweegt hieromtrent dat hij de rechtbank kan volgen in het oordeel dat het door appellant aan gedaagde verweten gedrag, te weten het op 16 en 17 augustus 2000 laten afvoeren van 2000 ton zwarte grond, zonder dat deze overeenkomstig de vergunningvoorschriften geheel was bemonsterd en dit tegen de instructies van de algemeen directeur van IW4 bedrijven in, voldoende vaststaat en is aan te merken als plichtsverzuim. Gedaagde bekleedde een publieke functie als bedrijfsleider van [V.] en had tevens een vertrouwenspositie als bedrijfsdirecteur namens IW4 Bedrijven in [W.] B.V. Vaststaat dat gedaagde er vanaf eind juli 2000 van op de hoogte was dat zijn mede-bedrijfsdirecteur [C.] het voornemen had om in de week van 14 augustus 2000 een partij onbemonsterde grond van het terrein af te voeren en dat het hem bekend was dat dit strijd met de geldende vergunningvoorschriften zou opleveren. Gedaagde heeft wel zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegenover zijn mede-bedrijfsdirecteur, maar heeft uiteindelijk toch ingestemd met genoemd transport, naar zijn zeggen onder het beding "dit is de eerste en de laatste keer". Naar het oordeel van de Raad had het echter op de weg van gedaagde gelegen, gezien zijn positie, te allen tijde te voor-komen dat genoemd transport, in strijd met de milieuvoorschriften, zou plaatsvinden, ook al waren er al afspraken gemaakt met de afnemer van de grond en waren er reeds transportmiddelen gereserveerd. Hier komt nog bij dat gedaagde in een gesprek met de algemeen directeur van IW4 Bedrijven op 10 augustus 2000, zoals ook door betrokkene meermalen is erkend, nog eens onomwonden duidelijk was gemaakt dat een dergelijk transport onacceptabel was. Gedaagde had echter naar het oordeel van de Raad ook zonder deze nadrukkelijke instructies bij een dreigende overtreding van de milieuvoorschriften als hier aan de orde moeten ingrijpen, waarbij hij op eenvoudige wijze de algemeen directeur had kunnen inschakelen. De Raad kan gedaagde hierbij niet volgen in zijn grief dat de algemeen directeur in deze zelf op eigen initiatief actie had moeten ondernemen, nu dit allereerst op de weg van gedaagde zelf lag.

Door welbewust zijn medewerking aan het desbetreffende transport te verlenen, heeft gedaagde het in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad.

De Raad acht hierbij hetgeen van de zijde van gedaagde naar voren is gebracht omtrent onduidelijkheid in de taakverdeling en vooringenomenheid van de directeur, samenhangend met diens negatieve oordeel over het functioneren van gedaagde, gezien het vorenstaande, niet van doorslaggevend belang.

De Raad kan gedaagde verder, gezien de zwaarwegende belangen die hier op het spel stonden, waaronder de nog te verlenen uitbreidingsvergunning voor [W.] B.V., niet volgen in zijn standpunt dat hij in het belang van het bedrijf zou hebben gehandeld. Hetgeen van de zijde van betrokkene in dit kader naar voren is gebracht, in hoofdzaak inhoudende dat ruimte op het bedrijf gecreëerd diende te worden om stankoverlast voor de omgeving in de toekomst te voorkomen en voorts dat slechts de helft van de partij afgevoerde grond onbemonsterd was en er geen indicaties waren dat deze vervuiling bevatte, legt hierbij onvoldoende gewicht in de schaal. Nog daargelaten of deze omstandigheden ooit een overtreding van de milieuvoorschriften zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden vastgesteld dat er in dit geval andere, legale, oplossingen voor de gestelde problemen aanwezig waren.


2.2. Gezien het vorenstaande en nu de Raad niet is gebleken dat het onderhavige gedrag gedaagde niet is toe te rekenen, was appellant bevoegd hem wegens plichtsverzuim disciplinair te straffen.


2.3. De onderhavige wijze van handelen acht de Raad anders dan de rechtbank, mede gezien de aard en het niveau van de functie van gedaagde, zo ernstig dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten, ook wanneer daarbij de lange staat van dienst van gedaagde bij het Instituut in aanmerking wordt genomen. Gedaagde had zich er juist in zijn positie terdege van bewust moeten zijn dat het toelaten van een dergelijk transport absoluut ontoelaatbaar was en dat hij in dat kader ook een voorbeeldfunctie diende te vervullen. Als in de leiding van het bedrijf tewerkgestelde overheidsfunctionaris, lag het bij uitstek op zijn weg ervoor te waken dat milieuvoorschriften worden nageleefd.


2.4. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, treft het hoger beroep van appellant doel, houdt het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit tot het verlenen van strafontslag alsnog in rechte stand en komt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.


3. Ten aanzien van het op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede door de Raad te beoordelen beroep van gedaagde tegen de gestelde fictieve weigering van appellant om uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak, wordt overwogen dat ten tijde van de gestelde fictieve weigering, te weten op 2 mei 2001, nog geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2 van de Awb, daar toen nog slechts een week was verstreken na afloop van de onderhandelingen tussen partijen. Gedurende die onderhandelingsperiode is uitvoering van de uitspraak blijkens de gedingstukken in onderling overleg opgeschort en de Raad acht de vervolgens van de zijde van gedaagde gestelde termijn van een week niet een redelijke termijn voor het nemen van een besluit als het onderhavige. Dit betekent dat dit beroep van gedaagde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.


4. Nu de Raad ten slotte geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, dient te worden beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen het bij het besluit van appellant van 22 november 2000 gehandhaafde strafontslag alsnog ongegrond;

Verklaart het beroep van gedaagde tegen de weigering door appellant om een besluit te nemen niet-ontvankelijk.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2002.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) M. Pijper.


HD

25.01

Q