Centrale Raad van Beroep, 16-10-2002 / 99/6078 MAW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE9683

Inhoudsindicatie
Bij bepaling van (immateriële) schadevergoeding kan slechts in individuele omstandigheden van zeer uitzonderlijk karakter worden afgeweken van het Convenant Instituut Asbestslachtoffers. Beroep ingesteld tegen handhaving besluit tot toekenning van ƒ 90.000,-- aan immateriële schadevergoeding aan erfgename van inmiddels overleden mesothelioom-slachtoffer, welk bedrag is gebaseerd op het op 16 september 1998 tussen asbestslachtoffers, werknemers- en werkgeversorganisaties, verzekeraars en de overheid bereikte onderhandelingsakkoord, dat is neergelegd in het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (hierna: het Convenant). (…) De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, waarbij is aangegeven dat de immateriële schade naar billijkheid niet op een lager bedrag dan ƒ. 115.000,- kan worden begroot. Appellant heeft, waar het gaat om zijn aansprakelijkheid jegens asbestslachtoffers met de ziekte mesothelioom, de billijkheidsnorm sedert de totstandkoming van het Convenant nader ingevuld, in die zin, dat hij aansluiting zoekt bij het in het Convenant overeengekomen normbedrag en mitsdien - ook bij afdoening van schadeclaims buiten het in het Convenant voorziene Instituut Asbestslachtoffers om - als regel een standaardbedrag van ƒ. 90.000,- ter vergoeding van immateriële schade toekent. Daarbij heeft appellant vooral in aanmerking genomen dat het Convenant speciaal is toegesneden op mesothelioomslachtoffers, die zich allen qua levensverwachting in dezelfde ongunstige positie bevinden, dat het Convenant op basis van zorgvuldig onderzoek, vergelijking van reeds gedane rechterlijke uitspraken en uitvoerige onderhandelingen tot stand is gebracht door partijen afkomstig uit alle relevante geledingen van de maatschappij, waaronder belangenbehartigers van asbest-slachtoffers, en dat het Convenant derhalve een zeer breed maatschappelijk draagvlak heeft. De Raad is van oordeel dat deze beleidslijn op zichzelf de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad neemt hiertoe in aanmerking dat het standaardbedrag het resultaat is van uitvoerig overleg tussen de betrokken maatschappelijke partijen, waarin niet alleen een aanzienlijke mate van inzicht bestond in de meest relevante factoren - zoals de oorzaak van de ziekte, het steeds fatale karakter daarvan, het verloop van het ziekteproces, de resterende levensverwachting en de daarbij te constateren verschillen - maar waarin bovendien, vanuit de wens om nog bij leven van de slachtoffers met zo min mogelijk belastende discussies tot vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding te kunnen komen, is gestreefd naar één enkel normbedrag waarin al deze op zichzelf moeilijk weegbare factoren zo goed mogelijk tot hun recht komen. Ook naar het oordeel van de Raad ontslaat het hanteren van de beleidslijn appellant niet van de verplichting in ieder individueel geval na te gaan of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toekenning van het standaardbedrag van ƒ. 90.000,- niet als een juiste invulling van de billijkheidsnorm zou zijn te beschouwen. Daarbij zal het echter slechts kunnen gaan om individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de leeftijd van ziek worden en overlijden van een mesothelioomslachtoffer één van de omstandigheden is waarmee rekening is gehouden bij de totstandkoming van het normbedrag en die geen aanleiding heeft gegeven te komen tot naar leeftijd gedifferentieerde vergoedingsbedragen. Het toekennen van gewicht aan overlijden op jongere dan wel oudere leeftijd en aan het al dan niet nalaten van (jeugdige) kinderen is immers bij uitstek het soort afweging van factoren dat het Convenant in concrete gevallen overbodig heeft willen maken. Daarvan uitgaande, kan hier niet worden gesproken van zeer uitzonderlijke omstandigheden in de hiervóór bedoelde zin, zodat daarin geen aanleiding kan worden gevonden de toekenning van het standaardbedrag van ƒ. 90.000,- in dit geval in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel te achten. Aangevallen uitspraak vernietigd. Hoger beroep van rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 2 november 1999, opgenomen onder LJN url(''AA4612'',../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AA4612) . De Staatssecretaris van Defensie, appellant. mrs. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, J.H. van Kreveld, K. Zeilemaker
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-10-16
Publicatiedatum
2002-11-04
Zaaknummer
99/6078 MAW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JB 2002/371
Uitspraak

99/6078 MAW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


de Staatssecretaris van Defensie, appellant,


en


de erven van [naam betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], gedaagden.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 november 1999, nr. AWB 99/564 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 4 september 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Reigersberg Versluys en drs. L.G. Koenen, medisch adviseur, beiden werkzaam op het Ministerie van Defensie. Namens gedaagden is verschenen [erfgename], bijgestaan door mr. drs. V.N. van Waterschoot, advocaat te Nijmegen.



II. MOTIVERING


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden welke tussen partijen niet in geschil zijn.


1.1. Wijlen de heer [naam betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is van 1970 tot 1976 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine in de functie van machinist. Gedurende zijn diensttijd is [naam betrokkene] blootgesteld geweest aan asbest dat verwerkt zat in de isolatie van de machinekamers. In maart 1996 is bij hem de diagnose maligne mesothelioom gesteld en op 13 februari 1997 is hij aan de gevolgen van die ziekte overleden.


1.2. Op 10 juni 1996 heeft [naam betrokkene] appellant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn ziekte. Bij brief van 23 september 1996 heeft appellant zijn aansprakelijkheid erkend en op 16 december 1996 heeft hij [naam betrokkene] als vergoeding van de immateriële schade een voorschot toegekend van ƒ 50.000,-. Bij besluit van 14 augustus 1998 heeft appellant - voorzover hier van belang - een bedrag van ƒ 80.000,- aan immateriële schadevergoeding toegekend. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt. Bij nader besluit van 15 oktober 1998 heeft appellant meegedeeld dat in verband met de totstandkoming van het Convenant Instituut Asbestslachtoffers (hierna: convenant) op 16 september 1998, in het vervolg aan mesothelioomslachtoffers een standaardbedrag aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend van ƒ 90.000,- en dat gedaagden derhalve nog een bedrag van ƒ 40.000,- toekomt. Bij het bestreden besluit van 17 december 1998 heeft appellant de bezwaren tegen het toekennen van een standaardbedrag van -ƒ 90.000,- aan immateriële schadevergoeding ongegrond verklaard.


1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe laten wegen dat zij het niet onbegrijpelijk vindt dat appellant met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het immateriële schadebedrag aansluiting heeft gezocht bij het in het convenant vastgelegde bedrag van ƒ 90.000,- (thans € 40.840,22), maar dat appellant daarmee niet is ontslagen van zijn plicht te onderzoeken of in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat het standaarduitkeringsbedrag verhoogd moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in de gegeven situatie het uitkeringsbedrag door appellant naar billijkheid niet lager worden begroot dan

ƒ 115.000,- (thans € 52.184,72). Als bijzondere omstandigheden heeft de rechtbank met name aangemerkt de relatief jonge leeftijd waarop [naam betrokkene] is overleden, alsmede dat [naam betrokkene] geen gebruik heeft kunnen maken van de diensten van het Instituut Asbestslachtoffers, omdat het Instituut nog niet operationeel was. Het heeft tot ruim anderhalf jaar na het overlijden van [naam betrokkene] geduurd totdat appellant het besluit nam om (de erven van) [naam betrokkene] een immateriële schadevergoeding van - aanvankelijk - f 80.000,- toe te kennen, zijnde aanzienlijk langer dan de maximale termijn van drie maanden waarvan het convenant uitgaat.


2. In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat, gelet op de aard en het verloop van de ziekte, tussen mesothelioomslachtoffers aanzienlijke overeenkomsten bestaan, die het hanteren van een normbedrag voor vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. Natuurlijk zijn er individuele verschillen, maar het is uiterst moeilijk deze op geld te waarderen. Het normbedrag van f 90.000,- vormt een neerslag van de maatschappelijke opvattingen en van de jurisprudentie. In het onderhavige geval heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de schadevergoeding, in afwijking van het normbedrag, niet lager mag worden gesteld dan

f 115.000,-, aldus appellant. Namens gedaagden is ter zitting van de Raad te kennen gegeven dat de erven zich neerleggen bij het door de rechtbank genoemde bedrag van ¦ 115.000,- (thans € 52.184,72).


2.1. De Raad stelt voorop dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld. Relevante factoren daarbij zijn de aard van de aansprakelijkheid, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de ziekte. Onder het bedoelde verdriet is mede begrepen het verdriet dat betrokkene ondervindt van de wetenschap dat zijn levensverwachting is verkort. Het aldus te bepalen bedrag zal het bij het slachtoffer ontstane leed, dat immers niet op geld waardeerbaar is, nimmer kunnen compenseren. Gelet op deze onbepaaldheid van de te wegen factoren is het van groot belang, teneinde willekeur te voorkomen, aansluiting te zoeken bij de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend.


2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft appellant, waar het gaat om zijn aansprakelijkheid jegens asbestslachtoffers met de ziekte mesothelioom, de hiervóór omschreven billijkheidsnorm sedert de totstandkoming van het convenant nader ingevuld, in die zin, dat hij aansluiting zoekt bij het in het convenant overeengekomen normbedrag en mitsdien - ook bij afdoening van schadeclaims buiten het in het convenant voorziene Instituut Asbestslachtoffers om - als regel een standaardbedrag van f 90.000,- ter vergoeding van immateriële schade toekent. Daarbij heeft appellant vooral in aanmerking genomen dat het convenant speciaal is toegesneden op mesothelioomslachtoffers, die zich allen qua levensverwachting in dezelfde ongunstige positie bevinden, dat het convenant op basis van zorgvuldig onderzoek, vergelijking van reeds gedane rechterlijke uitspraken en uitvoerige onderhandelingen tot stand is gebracht door partijen afkomstig uit alle relevante geledingen van de maatschappij, waaronder belangenbehartigers van asbest-slachtoffers, en dat het convenant derhalve een zeer breed maatschappelijk draagvlak heeft.


2.3. De Raad is van oordeel dat deze beleidslijn, die door appellant ook aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, op zichzelf de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad neemt hiertoe in aanmerking dat het standaardbedrag het resultaat is van uitvoerig overleg tussen de betrokken maatschappelijke partijen, waarin niet alleen een aanzienlijke mate van inzicht bestond in de meest relevante factoren - zoals de oorzaak van de ziekte, het steeds fatale karakter daarvan, het verloop van het ziekteproces, de resterende levensverwachting en de daarbij te constateren verschillen - maar waarin bovendien, vanuit de wens om nog bij leven van de slachtoffers met zo min mogelijk belastende discussies tot vaststelling en uitbetaling van de schadevergoeding te kunnen komen, is gestreefd naar één enkel normbedrag waarin al deze op zichzelf moeilijk weegbare factoren zo goed mogelijk tot hun recht komen. Dat de beleidslijn als zodanig wellicht niet schriftelijk is vastgesteld en evenmin bekend is gemaakt, zodat deze niet kan worden aangemerkt als een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neemt niet weg dat appellant er in individuele gevallen - mits voldoende gemotiveerd - toepassing aan kan geven.


2.4. Ook naar het oordeel van de Raad ontslaat het hanteren van de beleidslijn appellant niet van de verplichting in ieder individueel geval na te gaan of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toekenning van het standaardbedrag van f 90.000,- niet als een juiste invulling van de billijkheidsnorm zou zijn te beschouwen. Daarbij zal het echter slechts kunnen gaan om individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter.


2.5.1. In het onderhavige geval hebben gedaagden vooral gewezen op de omstandigheid dat [naam betrokkene] ten tijde van zijn overlijden nog slechts 43 jaar oud was en dat zijn levensverwachting onder normale omstandigheden derhalve vele malen hoger zou zijn geweest. Voorts is gewezen op de omstandigheid dat hij vanaf het moment dat hij door zijn artsen op de hoogte werd gesteld van zijn ziekte en kennis nam van zijn nog te verwachten levensduur (6 maanden tot één jaar), intens verdriet heeft gehad om het feit dat hij zijn nog jonge kinderen van destijds 12 en 15 jaar oud, niet meer volwassen zou zien worden en grote zorgen heeft gehad over de toekomst van zijn nog jonge gezin na zijn overlijden.


2.5.2. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de leeftijd van ziek worden en overlijden van een mesothelioomslachtoffer één van de omstandigheden is waarmee rekening is gehouden bij de totstandkoming van het normbedrag en die geen aanleiding heeft gegeven te komen tot naar leeftijd gedifferentieerde vergoedingsbedragen. Het toekennen van gewicht aan overlijden op jongere dan wel oudere leeftijd en aan het al dan niet nalaten van (jeugdige) kinderen is immers bij uitstek het soort afweging van factoren dat het convenant in concrete gevallen overbodig heeft willen maken. Daarvan uitgaande, kan hier niet worden gesproken van zeer uitzonderlijke omstandigheden in de hiervóór bedoelde zin, zodat daarin geen aanleiding kan worden gevonden de toekenning van het standaardbedrag van f 90.000,- in dit geval in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel te achten.


3. Gedaagden hebben ten slotte nog aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie een immateriële schadevergoeding reeds is verschuldigd vanaf het moment dat de schade zich voordoet - in dit geval het moment waarop de diagnose bij [naam betrokkene] werd vastgesteld in maart 1996 - en dat het niet zo kan zijn dat een pas later bekend geworden convenant een doorslaggevende rol zou spelen bij de bepaling van de onderhavige immateriële schade.


3.1. Naar aanleiding van deze stelling wijst de Raad er op dat de hoogte van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld. De Raad heeft hiervoor onder 2.4. overwogen dat het standaardbedrag van ¦ 90.000,- niet als een onjuiste invulling van de billijkheidsnorm is te beschouwen. Dat dit bedrag is ontleend aan een later tot stand gekomen convenant doet aan dat oordeel niet af.


3.2. Gedaagden hebben ten slotte nog betoogd dat het in het convenant genoemde bedrag van ¦ 90.000,- mede is gebaseerd op de grond dat een deel van het psychisch lijden van het slachtoffer als gevolg van een zeer belastende en tijdrovende juridische procedure door inschakeling van het Instituut Asbestslachtoffers zou worden weggenomen en dat dit doel van het convenant in het geval van [naam betrokkene] niet is gerealiseerd. Naar aanleiding van deze stelling overweegt de Raad nog als volgt.


3.2.1. Blijkens het op 23 november 1998 ondertekende convenant zijn de bij dat convenant betrokken partijen overeengekomen dat de wettelijke rente in het schadevergoedingsbedrag van ¦ 90.000,- is inbegrepen, dat dit bedrag vanaf 1 januari 2000 conform de prijsindex van het CBS wordt aangepast en dat additioneel wettelijke rente in rekening wordt gebracht vanaf het moment dat het instituut een advies heeft gegeven en een van de partijen daarmee niet akkoord gaat. Het Instituut Asbest-slachtoffers heeft zich daarbij ten doel gesteld om schadeclaims binnen een redelijke termijn te beoordelen en af te handelen.


3.2.2. Blijkens de gedingstukken heeft [naam betrokkene] appellant op 10 juni 1996 aan-sprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn ziekte en heeft het tot 15 oktober 1998 geduurd voordat appellant definitief heeft beslist op het verzoek om schadevergoeding. De Raad is van oordeel dat, nu [naam betrokkene] door het uitblijven van een toewijzing binnen redelijke termijn van zijn claim psychisch aanmerkelijk langer geleden heeft dan met het door appellant gevolgde convenant over-een-stemt, de billijkheid ertoe zou kunnen nopen een (wat) hogere scha-de-vergoeding dan de uiteindelijke ¦ 90.000,- toe te kennen. Daartegenover staat dat het convenant een indexeringsstelsel kent, wat meebrengt dat het bij toekenning binnen redelijke termijn in 1996 in de rede had gelegen een (wat) lager schadebedrag dan f 90.000,- toe te kennen. De Raad ziet niet in dat deze beide factoren tezamen genomen tot een hogere schadevergoeding dan f 90.000,- thans

€ 40.840,22, dienen te leiden.


4. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.


5. Beslist wordt als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagden alsnog ongegrond.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2002.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) A. de Gooijer.



HD

01.10