Centrale Raad van Beroep, 05-11-2002 / 02/1507 en 02/1509 WAOCON


ECLI:NL:CRVB:2002:AF1606

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-11-05
Publicatiedatum
2002-12-06
Zaaknummer
02/1507 en 02/1509 WAOCON
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JB 2003/24
  • USZ 2003/11
Uitspraak

02/1507 en 02/1509 WAOCON


U I T S P R A A K


in de gedingen tussen:


het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Harenkarspel, verder te noemen belanghebbende,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verder te noemen: het Uwv.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).


Bij besluit van 12 maart 1998 heeft het Lisv geweigerd aan [betrokkene], hierna: betrokkene, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat betrokkene na 20 maart 1997 niet 52 weken als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is geweest.


Zowel door betrokkene als door belanghebbende is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke besluiten van

24 november 1998 zijn deze bezwaren door het Lisv ongegrond verklaard.


De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 27 juli 1999 het beroep van betrokkene tegen het aan hem geadresseerde bestreden besluit van 24 november 1998 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat het Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en bepaald dat het Lisv aan betrokkene het betaalde griffierecht vergoedt.


Bij besluit van 28 januari 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft het Lisv, opnieuw beslissende op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 maart 1998, dit bezwaar (wederom) ongegrond verklaard.


Belanghebbende heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


Bij uitspraak van 28 maart 2000 heeft de rechtbank Alkmaar belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde beroep tegen het besluit van 24 november 1998.

De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 25 januari 2002 het beroep van belanghebbende tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover belanghebbende ontvankelijk is verklaard in het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 1998, belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard in dit bezwaar en bepaald dat aan belanghebbende het betaalde griffierecht wordt vergoed.


Het Uwv is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden van het hoger beroep zijn nadien bij aanvullend beroepschrift aangevoerd.


Ook belanghebbende is van die uitspraak in hoger beroep gekomen, op gronden die naderhand bij aanvullend beroepschrift zijn ingediend.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


De gedingen zijn behandeld ter behandeld ter zitting van de Raad op 24 september 2002, waar voor belanghebbende zijn verschenen P.J.N. Schouten en W. Wilkens, terwijl voor het Uwv is verschenen M.J.M. van Haaften.


II. MOTIVERING


Het gaat in deze gedingen om de beantwoording van de vraag of de rechtbank belanghebbende met recht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde bezwaar.


De rechtbank heeft in dat verband voorop gesteld dat belanghebbende een niet-eigenrisicodragende werkgever is. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet pemba (Stb. 1997, 175) leidt de rechtbank af dat de vraag of een dergelijke werkgever een rechtstreeks belang heeft bij een WAO-besluit ten aanzien van een werknemer van hem moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In de aangevallen uitspraak, waarin belanghebbende als eiseres en betrokkene als [betrokkene] is aangeduid, vervolgt de rechtbank dan:

"Dit belang vloeit voort uit een in de toekomst te verwachten verhoging van de door de werkgever te betalen premie als gevolg van arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. De wetgever acht dit belang sneller aanwezig bij kleinere werkgevers, omdat bij hen een duidelijker verband aanwezig is tussen de premieverhoging en de arbeidsongeschiktheid van de individuele werknemer.


In casu is het belang van eiseres niet gelegen in het voorkomen van de voor haar rekening blijvende dan wel komende kosten als gevolg van arbeidsongeschiktheid van [betrokkene]. Deze laatste is immers ingevolge het bestreden besluit niet als arbeidsongeschikt aan te merken.


De rechtbank leidt uit het door eiseres gestelde in de bezwaarschrift- en onderhavige beroepsprocedure af, dat haar belang is gelegen in het voorkomen dat [betrokkene] arbeidsgeschikt wordt verklaard en mitsdien weer in de volledige functie-omvang in de instelling van eiseres moet kunnen worden tewerkgesteld. Dit gevolg vloeit echter niet voort uit de omstandigheid dat [betrokkene] niet als arbeidsongeschikt wordt aangemerkt, maar uit de arbeidsverhouding tussen eiseres en [betrokkene].


Het belang van eiseres moet dan ook niet worden gekwalificeerd als een rechtstreeks belang maar als een afgeleid belang."


De Raad oordeelt als volgt.


In zijn uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in AB 2002, 105, heeft de Raad aangegeven dat de hoedanigheid van werkgever de aanwezigheid van een voldoende actueel, concreet en rechtstreeks belang bij een besluit van het Uwv met betrekking tot de aanspraken op een uitkering ingevolge de WAO van één van zijn werknemers vooronderstelt. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waar het gaat om de afwijzing van een (eerste) aanvraag van de werknemer om toekenning van een WAO-uitkering. Daaruit volgt dat de rechtbank belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geacht in het door hem ingediende bezwaar. De vernietiging van het bestreden besluit, op die grond, kan dan ook rechtens geen stand houden.


Nu de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van het geschil niet is toegekomen, zal de Raad, onder toepassing van artikel 26, eerste lid, onder b, van de Beroepswet, de zaak terugwijzen naar de rechtbank.


De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv voorwaardelijk te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.


Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Alkmaar;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voorwaardelijk in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan belanghebbende het betaalde recht van € 327,- vergoedt.


Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2002.


(get.) K.J.S. Spaas.


(get.) J.W. Engelhart.