Centrale Raad van Beroep, 14-03-2002 / 00/823 AW


ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3138

Inhoudsindicatie
Medewerker Afvalstoffendienst, belast met ophalen huisvuil, laadt buiten zijn wijk illegaal bedrijfsafval bij cafetaria met als tegenprestatie betaling in natura. Gezien verklaringen geen sprake van incident.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-03-14
Publicatiedatum
2009-07-21
Zaaknummer
00/823 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

00/823 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, appellant,


en


[gedaagde], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 januari 2000, nrs. AWB 99/9653 AW VV, AWB 99/9654 AW, AWB 99/9668 AW VV en AWB 99/9669 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 31 januari 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, werkzaam bij CAPRA, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Weehuizen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.



II. MOTIVERING


1. Voor een uitgebreider feitenoverzicht wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Ten tijde hier van belang was gedaagde werkzaam als medewerker afvalstoffen bij de Afvalstoffendienst van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Gedaagde reed als chauffeur op wagen [nummer wagen], en was belast met het ophalen van huishoudelijk afval in een bepaalde wijk. Op 21 januari 1999 is geconstateerd dat gedaagde buiten zijn wijk illegaal bedrijfsafval heeft geladen bij een cafetaria. Naar aanleiding van dit feit alsmede de door de bijrijder en de cafetariahouder gedane mededelingen dat zulks wel vaker gebeurde, waarbij betaling in natura plaatsvond, heeft appellant, nadat daartoe eerst bij brief van 2 maart 1999 het voornemen kenbaar was gemaakt, bij besluit van 30 maart 1999 gedaagde met ingang van 1 april 1999 de straf van ontslag opgelegd.


1.2. Tegen dat besluit heeft gedaagde, onder verwijzing naar een andersluidende verklaring van de bijrijder, bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de president van de rechtbank bij uitspraak van 4 juni 1999 het ontslagbesluit geschorst tot en met zes weken nadat door appellant zou zijn beslist op het ingediende bezwaar. Daarop heeft gedaagde nader onderzoek noodzakelijk geacht. Op basis van de resultaten van een groot aantal interviews, samengevat neergelegd in een brief van appellant van 6 september 1999, alsmede wegens het privé gebruikmaken van een door de gemeente aan gedaagde verstrekte mobiele telefoon heeft appellant bij beslissing op bezwaar van 3 november 1999 het ontslagbesluit gehandhaafd.


1.3. De president van de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, de beslissing op bezwaar vernietigd, onder toewijzing aan gedaagde van vergoeding van in verband met dat besluit door hem betaald griffierecht en gemaakte proceskosten. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen deze vernietiging en de daarmee samenhangende vergoeding die is toegewezen.


2. De Raad stelt voorop dat appellant het in de beslissing op bezwaar als plichtsverzuim aangemerkte privégebruik door gedaagde van de aan hem verstrekte mobiele telefoon reeds daarom niet aan de handhaving van het strafontslag ten grondslag mocht leggen, omdat dit gebruik niet als plichtsverzuim ten grondslag was gelegd aan het gedaagde bij besluit van 30 maart 1999 gegeven strafontslag. Dit gebruik van de telefoon zal de Raad dan ook verder buiten beschouwing laten.


3. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat gedaagde plichtsverzuim heeft gepleegd door illegaal afval op te halen op 21 januari 1999. Op die dag is door een sectiehoofd van de Afvalstoffendienst geconstateerd dat gedaagde zijn inzamelvoertuig met de laadklep naar achteren had geparkeerd op de oprit van een buiten gedaagdes inzamelwijk gelegen cafetaria, en dat gedaagde, zijn bijrijder en de cafetariahouder enkele zakken en enige doosjes met afval in het inzamelvoertuig hebben gedeponeerd.


4. Appellant heeft vanwege dit plichtsverzuim tot strafontslag besloten, omdat uit verklaringen van de eigenaar van het cafetaria en de bijrijder was gebleken dat het hier niet om een eenmalig incident ging, maar om een structurele handelwijze. Vast staat dat gedaagde wist dat een en ander ongeoorloofd was.


4.1. Met betrekking tot de vraag of gesproken kan worden van doorgaand gedrag acht de Raad het volgende van belang.


4.2. De cafetariahouder is, onmiddellijk nadat het afval was ingeladen en gedaagde was weggereden, aangesproken door het hiervoor bedoelde sectiehoofd en diens collega. Tegen deze sectiehoofden heeft de cafetariahouder verklaard dat hij vaker op soortgelijke wijze het bedrijfsafval liet afvoeren, en dat daar betaling in natura tegenover stond. De Raad ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze verklaring aldus is afgelegd. Weliswaar heeft de cafetariahouder naderhand, ten overstaan van de politie, een andere lezing geven, erop neerkomende dat het volstrekt toevallig was dat het afval op deze wijze werd afgevoerd, maar daarmee is de eerdere verklaring nog niet ongedaan gemaakt.


4.3. Voorts heeft de bijrijder op 22 januari 1999 ten overstaan van de hiervoor bedoelde sectiehoofden en hun afdelingshoofd verklaard dat het laden van afval bij cafetaria’s meer dan eens plaatsvindt, en dat er dan gelijktijdig gegeten werd. De Raad onderkent dat de bijrijder naderhand een andersluidende verklaring heeft gegeven. Nu drie mensen hebben gehoord wat de bijrijder heeft verklaard, ziet de Raad geen aanleiding uit te gaan van de juistheid van de naderhand daarop gegeven nuancering, inhoudende dat hij in bedoeld gesprek op 22 januari 1999 nooit heeft verklaard dat afval werd geladen nadat een cafetariabezoek was gebracht, en dat zulks ook niet plaatsvond voor of tijdens een cafetariabezoek. De Raad heeft daarbij voorts in aanmerking genomen dat de verklaring van de bijrijder steun vindt in verklaringen die tijdens de bezwarenfase zijn afgelegd door andere personen die bij de Afvalstoffendienst hebben gewerkt.


4.3.1. De Raad heeft hierbij het oog op de verklaring van degene die in april 1998 een keer moest invallen, toen gedaagde ziek was. Blijkens diens verklaring werd, nadat de gewone route om huishoudelijk afval op te halen was verreden, door de twee uitzendkrachten die bij gedaagde als bijrijder plachten te werken, waaronder de hiervoor onder 4.3. bedoelde bijrijder, opdracht gegeven om volgens een bepaald lijstje nog langs enkele bedrijven te gaan, waaronder een café en een friteszaak, om daar bedrijfsafval op te halen, waarna werd gelost op het overlaadstation. Vervolgens werd nog aluminium geladen en weggebracht naar een ijzerhandel, waarna de bijrijders een kort bezoek aan gedaagde brachten. Gedaagde heeft er terecht op gewezen dat deze verklaring betrekking heeft op een dag dat hij wegens ziekte niet werkte, maar de geschetste gang van zaken laat zien dat het hier kennelijk om een vaste handelwijze ging.


4.3.2. De Raad neemt voorts de verklaring in aanmerking van degene die in de zomer van 1998 twee maanden bij de Afvalstoffendienst werkte, waarvan twee dagen als bijrijder bij gedaagde. Deze persoon heeft verklaard dat hij, nadat de vuilniszakken waren geladen, met gedaagde als chauffeur naar een bepaalde uitdeukerij is gereden om daar oliedrums te laden. De door gedaagde genoemde omstandigheid dat deze persoon zich niet meer de naam kon herinneren van de andere bijrijder acht de Raad, anders dan de rechtbank, onvoldoende, om de inhoud van de verklaring gemotiveerd betwist te achten.


4.3.3. Voorts rijst uit de zich onder de gedingstukken bevindende gedetailleerde verklaring van medewerker [A.] eveneens het beeld op dat wagen [nummer wagen], met gedaagde als chauffeur, regelmatig bij verschillende bedrijven langsging om daar bedrijfsafval op te halen.


4.3.4. De Raad onderkent dat gedaagde in de bezwarenfase niet de beschikking had over deze drie en andere verklaringen, maar slechts over de rapportage van 6 september 1999, waarin de essentie van de verklaringen is weergegeven. Hierin ziet de Raad evenwel geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, nu de verklaringen in beroep alsnog zijn overgelegd en gedaagde genoegzaam de gelegenheid heeft gehad daarop te reageren.


4.4. Gezien vorenvermelde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht ervan is uitgegaan dat het gewraakte gedrag op 21 januari 1999 niet als een eenmalig incident kon worden beschouwd, maar onderdeel was van een reeds langer door gedaagde gevolgde werkwijze.


4.5. Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat deze handelwijze dermate ernstig is te achten, dat het daarop gevolgde strafontslag niet onevenredig is te achten. Appellant is gerechtigd om groot gewicht toe te kennen aan het milieubelang en daarmee aan juiste toepassing van de regels inzake het inzamelen van afval, waarbij hij er zonder meer op moet kunnen vertrouwen dat de medewerkers van de Afvalstoffendienst deze regels niet overtreden. Voorts neemt de Raad in ogenschouw dat gedaagde een en ander duidelijk is gemaakt in functioneringsgesprekken in 1991, 1992 en in 1998, terwijl dit onderwerp ook in een nieuwsbrief van 27 januari 1995 aan de orde kwam. Bovendien is gedaagde tesamen met zijn twee collega’s, nadat in 1997 was geconstateerd dat zij illegaal verpakkingsmateriaal laadden bij Palace Meubelen, daarover door zijn chef onderhouden. De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat daarvan geen schriftelijke rapportage voorhanden is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, appellant niet de bevoegdheid ontneemt om bij een volgende overtreding een disciplinaire maatregel te nemen, nu gedaagde de strekking van dat gesprek, te weten dat het niet is toegestaan dat vuil wordt geladen bij bedrijven zonder dat daartoe opdracht is gegeven, heel wel heeft moeten begrijpen. Gedaagde heeft overigens ter zitting erkend dat hij wist dat het niet was toegestaan buiten de normale route om afval mee te nemen.


4.6. De rechtbank heeft voor haar oordeel dat de opgelegde straf onevenredig is, voorts nog belang gehecht aan de verklaring van de personeelsmanager dat bij doorgaand ongewenst gedrag eerst een berisping wordt gegeven, vervolgens voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar en uiteindelijk strafontslag. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad, met verwijzing naar twee concrete gevallen, voldoende aannemelijk gemaakt dat het hier geen dwingende richtlijn betreft, maar dat bij ernstige overtredingen direct strafontslag volgt. Gelet hierop ziet de Raad in deze mededeling van de personeelsmanager geen grond gelegen om het strafontslag onevenredig dan wel in strijd met het gelijkheidsbeginsel te achten.


5. Uit het vorenstaande volgt dat de beslissing op bezwaar van 3 november 1999, waarbij het aan gedaagde per 1 april 1999 gegeven strafontslag is gehandhaafd, in stand dient te blijven, zodat dit besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep met betrekking tot het strafontslag alsnog ongegrond.


Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2002.




(get.) J.C.F. Talman.




(get.) M. Pijper.



HD