Centrale Raad van Beroep, 24-04-2003 / 00/5468 AW


ECLI:NL:CRVB:2003:AF8992

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-04-24
Publicatiedatum
2003-05-21
Zaaknummer
00/5468 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2003, 320 met annotatie van B.W.N. de Waard
Uitspraak

00/5468 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [appellant], appellant,


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 september 2000, nr. AW 00/2633, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. J. Nijland, werkzaam bij de politieregio Kennemerland.


II. MOTIVERING


1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van in dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.


1.1. Appellant heeft in januari 1998 geopteerd voor de functie van [naam functie]. Ten behoeve van de selectie voor die functies heeft gedaagde in december 1997 een zogenoemd Plan van aanpak vastgesteld, dat voorzag in een voorselectie aan de hand van brieven, vervolgens een selectie op houding en tenslotte een selectie op vaardigheden. Tevens was voorzien in een tijdsplanning vanaf de openstelling van de selectieprocedure op 19 december 1997 tot en met de aanstelling in de functie met ingang van 1 mei 1998.


1.2. Bij besluit van 27 april 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij bij de selectie op houding, ook na voorlegging aan de zogenoemde voordrachtscommissie, niet geschikt is geacht en daarom niet is uitgenodigd voor de selectie op vaardigheden. Het bezwaar tegen die uitkomst is bij besluit van 15 maart 1999 gegrond verklaard, zonder dat dit aanvankelijk tot positieve gevolgen voor appellant leidde. Na protest van de gemachtigde, die van mening was dat het in de rede lag dat appellant op korte termijn alsnog op vaardigheden zou worden beoordeeld door een ad hoc samengestelde selectiecommissie, heeft in juli 1999 overeenkomstig dit voorstel alsnog selectie op vaardigheden plaatsgevonden.

1.3. Bij besluit van 17 september 1999 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat zijn gemiddelde score op vaardigheden is vastgesteld op 6,75 en dat hij, ook na voorlegging aan de voordrachtscommissie, (op dat moment) niet geschikt wordt geacht voor de functie van [naam functie], omdat hij op het criterium gemiddelde score onder de norm van 7 is gebleven.


1.4. Na bezwaar van appellant is dit besluit bij het in geding zijnde besluit van 31 januari 2000 gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


2. Namens appellant is in hoger beroep verwezen naar zijn beroepschrift in eerste aanleg. Daarnaast heeft appellant nog aangevoerd dat de voordrachtscommissie haar taak te beperkt heeft opgevat, dat zij is uitgegaan van een onjuiste gemiddelde score op houding en vaardigheden en dat ook de bezwarenadviescommissie het besluit niet volledig heeft heroverwogen, maar ten onrechte slechts marginaal heeft getoetst. Gedaagde heeft in het verweerschrift zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd.


3. In dit geding is aan de orde of de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in rechte stand kunnen houden. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en de overige in dit geding voorhanden gegevens het volgende.


4. De Raad volgt appellant niet in zijn grief aangaande de onjuiste gemiddelde score van houding en vaardigheden. Uit het advies van de voordrachtscommissie blijkt dat de beslissing om geen positief advies te geven uitsluitend berust op de tekortschietende gemiddelde score op vaardigheden. Voorts blijkt noch uit het primaire besluit, noch uit het bestreden besluit dat de afwijzing is gebaseerd op een tekortschietende gemiddelde score van houding en vaardigheden.


4.1. Appellant voert voorts aan dat in bezwaar geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden zoals de wet voorschrijft, omdat de bezwarenadviescommissie heeft volstaan met de marginale toets of gedaagde in redelijkheid tot het primaire besluit heeft kunnen komen. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 8 maart 2001, TAR 2001,59, is de Raad van oordeel dat ook deze grief niet kan slagen. Nu het primaire besluit berustte op de toetsing van appellants vaardigheden door een daartoe aangewezen selectiecommissie, gevolgd door een nadere toetsing door de voordrachtscommissie, kon gedaagde reeds bij het primaire besluit, gezien de aard van dat besluit, volstaan met de toets of het oordeel van de selectiecommissie en de nadere toetsing door de voordrachtscommissie op zorgvuldige wijze tot stand waren gekomen dan wel evidente gebreken bevatten. In bezwaar kon worden volstaan met het opnieuw uitvoeren van die beperkte toets. Nu de bezwarenadviescommissie voormelde beperkte toets daadwerkelijk heeft uitgevoerd, kan de Raad niet inzien dat het bestreden besluit - waarbij het advies van de bezwarenadviescommissie is overgenomen - in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

4.2. Met betrekking tot de overige grieven van appellant wijst de Raad er op dat de selectie van kandidaten voor een functie geschiedt krachtens een discretionaire bevoegdheid, ter invulling waarvan gedaagde beleidsregels heeft vastgesteld. Deze waren voor de selectieprocedure van december 1997 - mei 1998 neergelegd in het in punt 1.1. genoemde Plan van aanpak van december 1997. In het Plan is - onder meer - voorzien in één regionale selectiecommissie bestaande uit drie met name genoemde selecteurs, teneinde de uniformiteit van de selectie te bevorderen. Voorts zijn er scorenormen vastgesteld en vindt bij kandidaten die slechts op één criterium afwijken, voorlegging aan de zogenoemde voordrachtscommissie plaats. Uit de stukken blijkt voorts dat de voordrachtscommissie op haar beurt voor de haar toebedeelde beoordelingsruimte eigen regels heeft gehanteerd en heeft bepaald dat de afwijking niet gelegen mocht zijn in de gemiddelde score. De Raad acht de in het Plan van aanpak neergelegde regels noch de door de voordrachtscommissie gehanteerde regels onaanvaardbaar en ziet niet in dat de voordrachtscommissie gehouden was van voormelde regels af te wijken.


4.3. Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van een bijzonder geval dat gedaagde aanleiding had behoren te geven af te wijken van zijn beleid en hem alsnog te laten instromen in de functie van [naam functie]. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn gemiddelde score voor vaardigheden slechts een kwart punt onder het vereiste gemiddelde ligt en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die door de voordrachtscommissie onvoldoende zijn meegewogen. Zo heeft de procedure te lang geduurd, week de samenstelling van de selectiecommissie af van die van 1998 - er was slechts één van de oorspronkelijke selecteurs aanwezig - en heeft het selectiegesprek vijf kwartier in plaats van drie kwartier geduurd.


4.4. Naar het oordeel van de Raad vormt hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende grond te oordelen dat sprake is van een zodanig bijzonder geval dat gedaagde gehouden was appellant alsnog voor de functie van [naam functie] in aanmerking te brengen.


4.4.1. Het geringe verschil van een kwart punt ten opzichte van de gestelde norm levert noch op zichzelf noch in samenhang met de andere samenstelling van de selectiecommissie of met de lange duur van de procedure een bijzonder geval op als vorenbedoeld. Ook bij de kandidaten die bij de grote selectieronde zijn afgevallen was het verschil met de vereiste minimumscore niet groot.


4.4.2. Dat de samenstelling van de selectiecommissie anders was, kan evenmin bijdragen aan het door appellant bepleite oordeel dat van een bijzonder geval sprake is. Nadat appellant als gevolg van de aanvankelijke afwijzing op houding buiten de grote selectieronde van 1998 was gevallen en zijn bezwaar gegrond was verklaard, heeft hij bij brief van 15 april 1999 gevraagd met spoed een ad hoc selectiecommissie samen te stellen. Toen de samenstelling van die commissie bij brief van 16 juli 1999 aan appellant werd medegedeeld, heeft hij daarop niet (afwijzend) gereageerd. Naar het oordeel van de Raad waren er bovendien voldoende waarborgen aanwezig om van vergelijkbare resultaten ten opzichte van de grote selectieronde te kunnen spreken, nu bij het selectiegesprek met appellant, evenals bij de selectieronde in 1998, gebruik is gemaakt van een gespreksplan waarin de gespreksonderwerpen en de bijbehorende vragen gedetailleerd zijn vermeld, tenminste één van de selecteurs deelnam die ook bij de selectie van 1998 was betrokken en dezelfde personeelsconsulent als in 1998 als procesbewaker aanwezig was.


4.4.3. Appellant heeft ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat hij door de langere duur van het gesprek is benadeeld, nog daargelaten dat gedaagde onweersproken heeft gesteld dat de gesprekken ook in andere gevallen langer hebben geduurd dan was aangekondigd.


5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Nu er geen termen aanwezig zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, wordt als volgt beslist.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2003.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.W.J. Hospel.