Centrale Raad van Beroep, 17-03-2005 / 03/1107 AW


ECLI:NL:CRVB:2005:AT4019

Inhoudsindicatie
Maximering hoogte tegemoetkoming rechtskundige hulp aan politie-agenten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-03-17
Publicatiedatum
2005-05-11
Zaaknummer
03/1107 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2005/104
Uitspraak

03/1107 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 januari 2003, nr. AW 01/40, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift met bijlagen ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.L.J. van der Peet, werkzaam bij de politieregio Noord-Holland Noord.


II. MOTIVERING


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. In de uitvoering van zijn taak als politieagent is appellant samen met een groep collega’s op 16 mei 2000 in Den Helder betrokken geweest bij een aanhouding van meerdere personen. Naar aanleiding daarvan heeft een van de aangehouden personen aangifte gedaan van mishandeling door een of meerdere politieagenten. De hoofdofficier van Justitie heeft daarop een strafrechtelijk onderzoek naar het incident laten instellen. In verband daarmee zijn appellant en zijn collega’s in de daarop volgende maanden in het bijzijn van hun advocaat verhoord.


1.2. Bij brief van 17 juli 2000 heeft de politievakorganisatie ACP namens een vijftal bij voormeld incident betrokken politieagenten, waaronder appellant, bij gedaagde een verzoek ingediend om een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp op basis van de Regeling voor tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp aan personeelsleden bij de regio Noord-Holland Noord (hierna: de Regeling).


1.3. Bij primair besluit van 7 augustus 2000 heeft gedaagde op grond van artikel 69a, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en evengenoemde regeling, de tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand voor deze vijf personen naar rato vastgesteld op maximaal ƒ 4.166,87 (€ 1.890,84). Gedaagde is tot dat bedrag gekomen door uit te gaan van het maximale bedrag dat ingevolge de door hem afgesloten rechtsbijstandverzekering aan eigen risico per gebeurtenis voor hem gold, te weten ? 10.000,- (€ 4.537,80), en dat bedrag met 5/12 te vermenigvuldigen. Bij dat besluit is tevens meegedeeld dat tot vergoeding van deze kosten zal worden overgegaan indien een kopie van de nota van de advocaat wordt overlegd.

Bij het bestreden besluit van 20 november 2000 heeft gedaagde de bezwaren tegen het besluit van 7 augustus 2000 ongegrond verklaard.


1.4. Uit de op 17 april 2003 opgemaakte nota blijkt dat de kosten voor rechtsbijstand aan de onder 1.2. bedoelde vijf politieagenten € 3.100,58 hebben bedragen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat - kort gezegd - appellant ten onrechte

door gedaagde onder de werking van artikel 69a van het Barp is gebracht omdat uit

de stukken niet aannemelijk is geworden dat appellant en zijn collega’s als verdachte

in strafvorderlijke zin zijn aangemerkt als in genoemd artikel is vereist. Aangezien appellant, volgens de rechtbank, desalniettemin een tegemoetkoming in de kosten van rechtshulp heeft gekregen, heeft deze tegemoetkoming een buitenwettelijk karakter zodat deze door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat haar niet is gebleken dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden, omdat omtrent de vraag of appellant en zijn collega’s “verdachte” waren zoals bedoeld in artikel 69a van het Barp in het beroepschrift geen grieven zijn aangevoerd. Daarnaast meent appellant dat de rechtbank een te strikte interpretatie van de desbetreffende regelgeving heeft gehanteerd, aangezien uit de nota van toelichting blijkt dat de tegemoetkoming niet alleen geldt voor zover de ambtenaar in rechte is betrokken, maar ook reeds in de voorfase daarvan. Tot slot heeft appellant de Raad verzocht te doen wat de rechtbank had behoren te doen, nu de rechtbank niet tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil is gekomen.


3.1. Met betrekking tot appellants grief dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is gegaan, overweegt de Raad als volgt.


3.1.1. In het bestreden besluit van 20 november 2000 is uitdrukkelijk vermeld dat de betrokken politieagenten, waaronder appellant allen als verdachte zijn aangemerkt. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde erkend dat bij het totstandkomen van zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar de hoedanigheid van verdachte van de betrokkenen geen punt van discussie is geweest. Gelet hierop is de Raad met appellant van oordeel dat de rechtbank met haar overwegingen buiten de omvang van het geding is getreden. Mitsdien kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en moet hij worden vernietigd.


3.2. Gelet op het verzoek van partijen en omdat het geding geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft zal de Raad beoordelen of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven.


3.2.1. Ter uitvoering van artikel 69a, vijfde lid, van het Barp heeft gedaagde de in 1.2. genoemde Regeling vastgesteld, welke op 13 september 1999 in werking is getreden.

Artikel 2 van de Regeling luidt als volgt:

”1. Voor de toepassing van artikel 69a, eerste lid en tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 22a, eerste en tweede lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, worden de kosten van rechtskundige hulp op de volgende wijze vergoed:

a. De kosten voor de verlening van rechtskundige hulp door de raadsman die optreedt door tussenkomst van het regiokorps worden volledig vergoed, of

b. De kosten van een raadsman die door de betrokkene is aangezocht worden vergoed tot ten hoogste het bedrag dat zou zijn betaald, indien de rechtskundige hulp zou zijn verleend overeenkomstig a.

2. De toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp kan betrekking hebben op de voorfase van een gerechtelijke procedure, een gerechtelijke procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie.”


3.2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde bij de onderhavige toekenning van de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp als hiervoor onder b bedoeld in het licht van de door hem vastgestelde Regeling terecht ten aanzien van aan appellant verleende rechtsbijstand - naar rato - de onder 1.3. vermelde maximale grens van

ƒ 10.000,- (€ 4.537,80) heeft gehanteerd.


3.2.3. De Raad beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend. Blijkens de hierboven in 3.1.2. weergegeven tekst van het in casu toepasselijke artikel 2, eerste lid aanhef en onder b, van de Regeling is de vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp gemaximeerd tot de vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp als bedoeld in datzelfde artikellid onder a. Een beperking van de vergoeding van die kosten tot maximaal ƒ10.000,- (4.537,80) zijnde het bedrag dat op grond van de door gedaagde afgesloten verzekering voor gedaagdes rekening komt is daarin geenszins te lezen, zodat een zodanige beperking appellant niet kan worden tegengeworpen. Nu gedaagde dit wel heeft gedaan, kan het bestreden besluit wegens strijd met de Regeling niet in stand blijven en dient dit te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuwe beslissing dienen te nemen op de bezwaren van appellant.


4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 20 november 2000;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van totaal € 1.288,- te betalen door de politieregio Noord-Holland Noord;

Bepaalt dat de politieregio Noord-Holland Noord aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 267,10,- vergoedt.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.


HD

10.03

Q