Centrale Raad van Beroep, 20-10-2005 / 04/7353 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2005:AU5530

Inhoudsindicatie
Was verweerster gerechtigd bij bepaling van de aan betrokkene op grond van de WUBO toekomende vergoedingen de door hem ingevolge een aanvullende afgesloten verzekering ontvangen bedragen in mindering te brengen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-10-20
Publicatiedatum
2005-11-04
Zaaknummer
04/7353 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JSV 2005, 156
Uitspraak

04/7353 WUBO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 23 november 2004, kenmerk JZ/S80/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

1940-1945, hierna: de Wet.


Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift met bijlagen heeft eiser de gronden aangevoerd waarop het beroep steunt.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2005. Aldaar is eiser verschenen bij gemachtigden [naam dochter eiser] en [naam schoonzoon eiser], respectievelijk dochter en schoonzoon van eiser. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Eiser, die is geboren [in] 1905, is burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de bij eiser aanwezige hartklachten en meer recent zijn maag-/ darmziekten, psychosomatische rugklachten alsmede zijn psychische klachten door zijn oorlogservaringen zijn ontstaan of verergerd. In verband met deze ziekten of gebreken zijn aan eiser een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen toegekend, zoals bij besluit van 16 november 1994 op grond van artikel 32 van de Wet 3,5 uur huishoudelijke hulp per week. Bij schrijven van 30 november 2001 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om vergoeding van kosten voor uitbreiding huishoudelijke hulp en voor lichamelijke verzorging. Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft verweerster aan eiser met ingang van 1 januari 2001 een vergoeding verleend voor huishoudelijke hulp gedurende 8 uur per week en daarbij bepaald dat betaling van deze voorziening plaats vindt voor zover de kosten niet op andere manier worden vergoed. Ten aanzien van lichamelijke verzorging is door verweerster geen vergoeding toegekend op de grond dat eiser niet op grond van zijn oorlogsinvaliditeit is aangewezen op deze voorziening.


Op 13 januari 2003 heeft eiser bij verweerster een declaratie ingediend met betrekking tot aan hem verleende huishoudelijke hulp in de jaren 2000, 2001 en 2003 voor 3 uur per week gedurende 44 weken in 2000 en 2001 en 3 uur per week gedurende 46 weken in 2002. Deze declaratie is door verweerster bij besluit van 14 oktober 2003 gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking gebracht. Een door eiser gemaakt bezwaar tegen dit besluit heeft geleid tot het thans bestreden besluit, waarbij verweerster onder vergoeding van de wettelijke rente heeft bepaald dat aan eiser over 2000 geen vergoeding ingevolge de Wet toekomt omdat met betrekking tot dat jaar voor hem geen kosten van huishoudelijke hulp ongedekt zijn gebleven, voorts dat aan eiser over 2001 een vergoeding is verleend conform de door hem ingediende declaratie en dat met betrekking tot het jaar 2002 aan eiser een vergoeding toekomt van € 549,36, terwijl aan hem € 580,80 is vergoed. Naar namens verweerster ter zitting van de Raad nader is toegelicht heeft verweerster bij vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende bedragen als uitgangspunt genomen de door de Thuishulp Wassenaar aan eiser in rekening gebrachte eigen bijdragen voor de door deze instantie verschafte hulp en op deze bedragen in mindering gebracht hetgeen aan eiser ingevolge een door hem bij OHRA afgesloten aanvullende verzekering ter zake van eigen bijdrage AWBZ is gerestitueerd.


Het tussen partijen bestaande geschil spitst zich toe op de vraag of verweerster gerechtigd is bij bepaling van de aan eiser op grond van de Wet toekomende vergoedingen de door hem ingevolge een aanvullende bij OHRA afgesloten verzekering ontvangen bedragen in mindering te brengen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe wordt als volgt overwogen.


Ingevolge artikel 32 van de Wet komen voor vergoeding in aanmerking - kort weergegeven en voor zover hier van belang - de extra ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende kosten van voorzieningen die noodzakelijk zijn in verband met zijn oorlogsinvaliditeit. Op dit en andere onderdelen heeft de Wet nadrukkelijk een complementair karakter, dat met zich brengt dat slechts datgene op grond van de Wet voor vergoeding in aanmerking kan komen dat niet door andere instanties wordt vergoed. Hiertoe rekent verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden ook verkregen uitkeringen ingevolge particuliere verzekeringen. Door op de - in principe voor vergoeding op grond van de Wet in aanmerking komende, door eiser verschuldigde - eigen bijdragen voor de hem verleende thuiszorg de aan hem op grond van een aanvullende door eiser afgesloten verzekering bij OHRA uitbetaalde bedragen in mindering te brengen, geeft verweerster naar het oordeel van de Raad niet blijk van een onjuiste wetstoepassing. Dat eiser, naar namens hem ter zitting is aangevoerd, hierdoor als het ware de aanvullende verzekering bij OHRA ten behoeve van verweerster heeft afgesloten, doet dit naar het oordeel van de Raad niet anders zijn, aangezien door de uitkering ingevolge de door eiser afgesloten verzekering onmiskenbaar de ten laste van eiser blijvende kosten zijn verminderd.


Hetgeen door eiser overigens is aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking dient te komen. Dit betekent dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.


De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.



(get.) G.L.M.J. Stevens.



(get.) E. Heemsbergen.