Centrale Raad van Beroep, 03-11-2005 / 03/6055 AW + 03/6056 AW + 04/3461 AW


ECLI:NL:CRVB:2005:AU7126

Inhoudsindicatie
Weigering aanvullende voorziening aan arbeidsongeschikte ambtenaar. Abnormaal of excessief karakter?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-11-03
Publicatiedatum
2005-12-01
Zaaknummer
03/6055 AW + 03/6056 AW + 04/3461 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2006/21
Uitspraak

03/6055 AW + 03/6056 AW + 04/3461 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 6 november 2003, nrs. Awb 02 - 1494 AW en Awb 02 - 1495 AW, en van 14 juni 2004, nr. Awb 03 - 1546 AW, naar welke uitspraken hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 29 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.B. Honders, advocaat bij de Belastingdienst te Apeldoorn.


II. MOTIVERING


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam als medewerker opsporing bij de [naam werkgever] te [vestigingsplaats], locatie [naam locatie]. Op 3 oktober 2000 heeft hij een werkoverleg bijgewoond waar een videofilm is getoond over ongewenste omgangsvormen en intimiteiten op de werkvloer. Korte tijd later heeft hij psychische klachten gekregen en op 20 oktober 2000 is hij daarmee uitgevallen.


1.2. Bij brief van 25 januari 2002 is namens appellant verzocht om vergoeding van de voor zijn rekening blijvende kosten van zijn ziekte, te weten het eigen risico van zijn ziektekostenverzekering ad € 363,- per jaar. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 29 juli 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 september 2002 (DGP 2002-01045, besluit 1).


1.3. Bij besluit van 2 mei 2002 is geconstateerd dat appellant gedurende 78 weken niet heeft kunnen werken en is zijn bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering om die reden met toepassing van artikel 37, derde lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) teruggebracht tot 80% van het verschil tussen de bezoldiging en de WAO-uitkering. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 september 2002 (DGBP 2002-01159, besluit 2).


1.4. Bij besluit van 24 april 2003 is aan appellant met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt op de grond dat er geen compensatie van inkomens- en pensioenschade aan is verbonden. Bij het bestreden besluit van 9 september 2003 (besluit 3) is het ontslagbesluit onverkort gehandhaafd.


1.5. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


2. De Raad stelt vast dat, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, in hoger beroep uitsluitend nog aan de orde is:

a) vergoeding van het eigen risico van de ziektekostenverzekering met toepassing van artikel 48 van het ARAR;

b) voortzetting van de ongekorte bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering (niet tot 80% maar tot 100% van de bezoldiging) op grond van artikel 37, vierde lid, aanhef en onder c, (oud) van het ARAR; en

c) een aanvullende uitkering na ontslag op grond van artikel 38, derde lid, in samenhang met het vierde en vijfde lid, van het ARAR.


2.1. Het gaat in alle gevallen om de (in bezwaar gehandhaafde) weigering toepassing te geven aan een aanvullende rechtspositionele voorziening welke is getroffen voor gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is veroorzaakt door een beroepsongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte. Ingevolge

artikel 35, aanhef en onder c en d, van het ARAR is daarvoor onder meer vereist dat de oorzaak van het ongeval of de ziekte in overwegende mate is gelegen in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht.


2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie uitspraken van 3 oktober 1996, LJN ZB6417, TAR 1996, 200, en van

28 maart 2002, LJN AE5579, TAR 2003, 35) geldt voor de toepasselijkheid van regelingen als de onderhavige in een geval als hier aan de orde waarin de ziekte van psychische aard is, allereerst als eis dat vast staat dat de werkzaamheden van de betrokkene of de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht – objectief beschouwd – een abnormaal of excessief karakter hadden. Indien aan deze eis is voldaan, komt vervolgens de vraag aan de orde of er tussen de werk- omstandigheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is. Het antwoord op deze laatste vraag dient te worden gegeven op basis van gegevens van medische aard.


2.2.1. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar, die in aanmerking wenst te komen voor een aanvulling of vergoeding als hier aan de orde, om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van abnormale of excessieve omstandig-heden sprake is.


2.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat zijn psychische ziekte, die heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid en ontslag, is veroorzaakt door het (moeten) kijken naar de op het werkoverleg vertoonde videofilm over ongewenste omgangsvormen en intimiteiten. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij een rapportage overgelegd van de verzekeringsgeneeskundige Verbiest, waarin wordt gesproken van een bij nader inzien psychologisch onverantwoorde voorlichtingsvideo en van een relevante directe (luxerende) relatie met de arbeidsongeschiktheid. Voorts heeft appellant een brief overgelegd van de psychiater Tomassen, waarin een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) met verlaat begin wordt geconstateerd en wordt aangegeven dat appellant is gedecompenseerd doordat het zien van de video een jeugdtrauma (verkrachting op zevenjarige leeftijd) actualiseerde.


2.4. De Raad stelt voorop dat het tot de (wettelijke) verplichtingen van een overheidswerkgever behoort om een beleid tegen seksuele intimidatie te ontwikkelen. Een voor de hand liggend onderdeel van zo'n beleid is het bevorderen van inzicht bij werknemers in hetgeen door collega's als ongewenste omgangsvorm of intimiteit kan worden ervaren. Het in werkverband vertonen van een film waarin aan de praktijk ontleende situaties worden nagespeeld - zoals hier het geval is geweest - vormt daartoe een gebruikelijk en geschikt middel en is op zichzelf niet als abnormaal of excessief aan te merken. Bijkomende omstandigheden kunnen dit anders maken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan gevallen waarin de getoonde beelden, afzonderlijk dan wel in hun opeenvolging, objectief bezien schokkend (kunnen) zijn, aan het ontbreken van een redelijkerwijs noodzakelijke begeleiding of aan een bijzondere kwetsbaarheid bij degene aan wie de film wordt vertoond, waarop de werkgever in redelijkheid bedacht had moeten zijn. Hierbij dienen alle relevante factoren in onderlinge samenhang te worden beoordeeld.


2.5. Op grond van de in dit geding beschikbare gegevens kan appellant niet staande houden dat de vertoning van de videofilm abnormaal of excessief is geweest. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de film, naar niet is weersproken, in de loop van de tijd aan grote groepen ambtenaren is getoond zonder dat dit tot problemen heeft geleid. Dat de film bij de FIOD uit de roulatie is genomen, is blijkbaar een gevolg geweest van het incident met appellant. Dat hetzelfde inmiddels is gebeurd bij de Belastingdienst als geheel moet, naar gedaagde overtuigend heeft uiteengezet, worden toegeschreven aan het inmiddels verouderde karakter van de afgebeelde situaties. De medische rapporten van Verbiest en Tomassen leiden niet tot een ander oordeel, nu als vaststaand moet worden aangenomen dat deze deskundigen de videofilm niet met eigen ogen hebben gezien en dat hun opvatting over het (mogelijke) effect ervan uitsluitend is gebaseerd op hetgeen appellant zelf heeft verteld. Verder acht de Raad van belang dat appellant gedaagde nimmer heeft gewezen op het misbruik in zijn jeugd. Evenmin is gesteld dat gedaagde anderszins op de hoogte was of had behoren te zijn van enige bijzondere gevoeligheid van appellant op dit punt. Tenslotte is aannemelijk geworden dat de aard van de film vooraf duidelijk was, dat de videoband is afgespeeld in het bijzijn van een vertrouwenspersoon seksuele intimidatie en dat appellant zich desgewenst - zij het wellicht met summiere opgave van redenen - aan het bekijken van de film had kunnen onttrekken.


2.6. Appellant heeft erop gewezen dat hij niet in de gelegenheid is geweest de videofilm voor anderen - deskundigen - te laten afspelen en op inhoud en impact te laten beoordelen. Hieraan heeft hij reeds in beroep bij de rechtbank het verzoek verbonden om alsnog een onafhankelijke deskundige te benoemen teneinde de (mogelijke) psychische gevolgen van het vertonen van de videoband vast te stellen. Dit verzoek is door de rechtbank niet ingewilligd en door appellant in hoger beroep herhaald.


2.6.1. Ook de Raad ziet geen aanleiding om aan het verzoek gevolg te geven. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat, objectief bezien, de inhoud van de videoband zodanig schokkend of confronterend is dat vertoning achterwege had behoren te blijven of uitsluitend onder nadere waarborgen had mogen plaatsvinden. Naast hetgeen reeds onder 2.5. is overwogen, neemt de Raad daarbij in aanmerking dat het volgens de gemachtigde van gedaagde - die de film zelf heeft bekeken - bij de nagespeelde situaties vooral ging om het verkennen van het grensgebied tussen gedrag dat nog wel en gedrag dat net niet meer door de beugel kan. Die verklaring is door appellant niet met kracht van argumenten weersproken. De Raad acht haar ook overigens aannemelijk. Doel van een videofilm als hier in geding is vooral om werknemers te wijzen op de mogelijkheid dat gedrag waarmee zij zelf niets kwaads bedoelen door een collega toch als onaangenaam en onwenselijk kan (en mag) worden ervaren. Het ligt dan niet voor de hand om ernstige vormen van seksuele intimidatie in beeld te brengen, waarvan ieder normaal mens het ontoelaatbare zonder meer zal inzien. Het zal juist gaan om beelden die op het eerste gezicht onschuldig kunnen lijken en die in de dagelijkse praktijk van het werk (nog) niet ongebruikelijk zijn. Een werknemer moet in het algemeen worden geacht daar tegen te kunnen.


2.6.2. Daarnaast kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat appellant reële pogingen heeft ondernomen om gedaagde ertoe te bewegen de band (tijdelijk) aan hem of aan een derde af te staan. Er is dan ook geen plaats voor het oordeel dat gedaagde appellant van een onderbouwing van zijn stellingen heeft afgehouden.


2.7. De Raad concludeert dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorwaarden voor het toekennen van de door appellant gevraagde aanvullingen niet is voldaan. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.J.W. Loots.


Q