Centrale Raad van Beroep, 02-03-2006 / 05-4331 WUV + 05-2978 WUV


ECLI:NL:CRVB:2006:AV3273

Inhoudsindicatie
Aanvraag afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-03-02
Publicatiedatum
2006-03-03
Zaaknummer
05-4331 WUV + 05-2978 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4331 WUV + 05/ 2978 WUV



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], Canada, eiseres,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Eiseres heeft met een brief, bij de Raad ontvangen op 18 mei 2005, bij de Raad beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van verweerster op haar tegen het besluit 17 juni 2004 ingediende bezwaarschrift van juli 2004. Dit beroep van eiseres wordt geacht mede te zijn gericht tegen het onder dagtekening 31 mei 2005, kenmerk JZ/M60/2005, genomen besluit van verweerster, waarbij alsnog op bezwaar is beslist.

Eiseres heeft met een brief d.d. 6 augustus 2005, bij de Raad ontvangen op 11 augustus 2005, haar beroepschrift nog aangevuld.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 2006. Aldaar is voor eiseres verschenen J.D. Tuts wonende te Soest, en heeft verweerster zich doen vertegen-woordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. MOTIVERING


Eiseres, geboren in juli 1937 te Soerabaja in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering en diverse voorzieningen.


Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 17 juni 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.


Eiseres heeft in beroep als ook in bezwaar aangevoerd dat zij, nadat haar ouders uit elkaar zijn gegaan, met haar moeder geïnterneerd is geweest in het Darmokamp bij Soerabaja en daarna in een kamp in de buurt van Madioen.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, hun Europese afkomst of Europese gezindheid en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.


Volgens vaste rechtspraak dient de gestelde vrijheidsberoving voldoende aangetoond of aannemelijk te zijn.


De Raad is met verweerster van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunten bieden om te kunnen aanvaarden dat eiseres tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Hierbij acht de Raad van belang dat het Nederlandse Rode Kruis niet beschikt over enig gegeven dat eiseres tijdens de Japanse bezetting in een interneringskamp heeft verbleven. Voorts ziet de Raad uit de zich onder de gedingstukken bevindende verklaring van 27 november 1948 van de vader van eiseres naar voren komen, dat zijn gezin vanaf 1943 tot kort voor de Japanse capitulatie in Soerabaja verbleef, waarna het gezin wederom in Madioen verbleef en wel steeds buiten kampverband. Tevens laat de Raad meewegen dat uit het zogenoemde sociaal rapport dat is opgemaakt ter gelegenheid van een WUBO-aanvraag van de moeder van eiseres, naar voren komt dat deze tot 1944 werkte bij de PTT en dat zij in 1944 werd ontslagen waarna zij terugkeerde naar haar ouderlijk huis te Madioen waar ze met de kinderen verbleef. Verder is ook op grond van historische gegevens niet aannemelijk dat eiseres in het Darmokamp verbleef, omdat de in dat kamp geïnterneerde vrouwen en kinderen naar andere kampen werden gebracht, maar niet naar Madioen.


Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.


De Raad ziet zich vervolgens nog gesteld voor de vraag of eiseres ter zake van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift thans nog belang heeft. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Daarom komt dit beroep van eiseres voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking.


De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2004 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 mei 2005 ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2006.



(get.) C.G. Kasdorp.



(get.) J.P. Schieveen.