Centrale Raad van Beroep, 11-05-2006 / 05-5700 MPW


ECLI:NL:CRVB:2006:AX3052

Inhoudsindicatie
Berekeningsgrondslag van het arbeidsongeschiktheidspensioen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-05-11
Publicatiedatum
2006-05-22
Zaaknummer
05-5700 MPW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5700 MPW








Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K









op het hoger beroep van:


[appellant] te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 augustus 2005, 04/3048 MPW (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Staatssecretaris van Defensie (hierna: Staatssecretaris),




Datum uitspraak: 11 mei 2006.



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S.J.C. Hendriks, werkzaam bij De Groot Heupner Advisering & Arbeidstoeleiding BV, hoger beroep ingesteld.


De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hendriks. De Staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn, werkzaam bij het Uwv.



II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


Bij besluit van 2 mei 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 juli 2004, heeft de Staatssecretaris, voor zover thans nog van belang, de berekeningsgrondslag vastgesteld van het aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidspensioen op basis van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (hierna: het Besluit).


Bij de aangevallen uitspraak is het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daaraan ligt het oordeel van de rechtbank ten grondslag dat niet is gebleken dat de Staatssecretaris bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen een onjuiste grondslag heeft gebruikt.


In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat voor hem, ook na de namens de Staatssecretaris ter zitting van de rechtbank gegeven nadere uiteenzetting, nog steeds niet duidelijk was waardoor die berekeningsgrondslag beduidend lager is dan het bedrag van zijn militaire inkomen.


De Raad kan dat standpunt van appellant niet onderschrijven. Op de aan appellant overgelegde specificatie van de berekeningsgrondslag is vermeld waaruit de berekeningsgrondslag bestaat, namelijk de wedde, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en welke bedragen daarmee zijn gemoeid. Daarmee is de berekeningsgrondslag op genoegzame wijze gespecificeerd.


Met betrekking tot de berekeningsgrondslag van een arbeidsongeschiktheidspensioen is in artikel 1, sub f, ten 1e, van het Besluit bepaald dat daaronder voor de beroepsmilitair wordt verstaan: de som van de militaire inkomsten uit het jaar voorafgaande aan het ontslag, voor zover daarover de verplichting tot premieafdracht in de zin van het pensioenreglement heeft bestaan. Door laatstgenoemde zinsnede kan een verschil optreden tussen deze berekeningsgrondslag en het militaire inkomen in het desbetreffende jaar. Dat dit in appellants situatie ook het geval is, volgt reeds uit de omstandigheid dat hij een bedrag van ruim € 6.000,- aan BBT-premie heeft ontvangen. Appellant heeft zowel uit de van toepassing zijnde regelgeving (het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP en het Inkomstenbesluit militairen), als uit zijn salarisspecificaties kunnen opmaken dat daarover geen verplichting tot afdracht van pensioenpremie bestaat.


Van de gemachtigde van appellant mocht in de gegeven situatie worden verlangd dat in bezwaar nader was aangegeven waarom appellant meende dat het door de Staatssecretaris voor de berekeningsgrondslag in aanmerking genomen bedrag niettemin onjuist is. Nu dit is nagelaten, was er voor de Staatssecretaris naar het oordeel van de Raad geen aanleiding voor het instellen van een onderzoek naar het gesignaleerde verschil. Er was geen reden om aan te nemen dat bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag was uitgegaan van verkeerde gegevens.


Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.



(get.) C.G. Kasdorp.



(get.) E. Heemsbergen.




HD

18.04