Centrale Raad van Beroep, 18-05-2006 / 05-4021 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AX6451

Inhoudsindicatie
Vermogensvaststelling inzake het recht op WUBO-uitkering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-05-18
Publicatiedatum
2006-06-02
Zaaknummer
05-4021 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4021 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 18 mei 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 mei 2005, kenmerk JZ/L90/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Daar is appellant - zoals vooraf bericht - niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


Appellant, geboren in 1927, is blijkens de gedingstukken erkend als burger-oorlogs-slachtoffer als bedoeld in de Wet en met ingang van 1 mei 1990 in aanmerking gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Bij het besluit van 1 november 1991 is het voor de vaststelling van appellants uitkering in aanmerking te nemen vermogen per 1 mei 1990 definitief bepaald op ƒ 191.499,56. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden.


Een door appellant in mei 2002 bij verweerster ingediend verzoek het per 1 mei 1990 vastgestelde vermogen van ƒ 191.499, 56 te herzien, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 19 december 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2004, op de grond - samengevat - dat niet is gebleken van vermindering van het vermogen door factoren waarop appellant geen invloed heeft kunnen uitoefenen. Daarbij is overwogen dat de wijze waarop het vermogen is belegd voor risico van de uitkerings-gerechtigde dient te komen. Het tegen het besluit van 28 mei 2004 ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 23 september 2004, nr. 04/3836 WUBO, niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor het instellen van beroep geldende termijn, Vervolgens is het tegen die uitspraak gedane verzet bij uitspraak van 24 februari 2005 ongegrond verklaard waardoor het besluit van 28 mei 2004 tussen partijen rechtens verbindend is geworden.


Naar aanleiding van een berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 heeft appellant bij verweerster bezwaar gemaakt tegen de toegepaste korting in verband met inkomsten uit vermogen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat in de berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 geen nieuwe of nadere beslissing is genomen over het vermogen waarnaar de vermogensinkomsten worden vastgesteld.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Evenals door verweerster in het bestreden besluit is verwoord is de Raad van oordeel dat in de berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 met betrekking tot de berekening van het voor de Wet in aanmerking te nemen vermogen geen nieuwe of nadere beslissing is genomen. Op dit punt lag derhalve geen (zelfstandig) besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar niet openstond.


Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.


(get.) C.G. Kasdorp.



(get.) J.P. Schieveen.