Centrale Raad van Beroep, 01-06-2006 / 05-1525 AW en 05-2017 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AX8836

Inhoudsindicatie
Betrokkene is eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Herplaatsingsonderzoek is ten onrechte achterwege gelaten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-06-01
Publicatiedatum
2006-06-19
Zaaknummer
05-1525 AW en 05-2017 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2006/170
Uitspraak

05/1525 AW en 05/2017 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 januari 2005, 04/1244 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant


Datum uitspraak: 1 juni 2006



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 16 maart 2005 een nader besluit genomen.


Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.


Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 27 april 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de Belastingdienst. Betrokkene is verschenen, bijgstaan door mr. J.H.J. Köhlen, advocaat te Maastricht.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene was als medewerker groepsfunctie C, in een volledige betrekking, werkzaam bij de Belastingdienst, Douane district Roermond. Wegens lichamelijke klachten heeft betrokkene in 1999 haar werkzaamheden gestaakt. In 2000 heeft zij een aantal keren haar werkzaamheden hervat waarna zij weer is uitgevallen. Vanaf

11 december 2000 heeft zij haar werkzaamheden niet meer verricht.


1.2. In een gesprek op 23 mei 2001 over een terugkeer in het arbeidsproces heeft appellant verklaard te zullen bezien of betrokkene in Maastricht geplaatst zou kunnen worden. Op 15 november 2001 heeft zich een incident voorgedaan bij de garage van het hoofdbureau van de regiopolitie te Maastricht waarvoor betrokkene is berispt. In november 2001 heeft de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP-Zorgbemiddeling) op verzoek van appellant een advies opgesteld over de reïntegratie van betrokkene, waarin wordt geadviseerd tot reïntegratie in het eigen werk bij een andere werkgever.


1.3. Bij besluit van 17 juni 2002 is aan betrokkene met ingang van 5 maart 2002 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij brief van 26 november 2002 heeft de arts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) verklaard dat betrokkene voor de functie van medewerker groepsfunctie C op de voorgenomen ontslagdatum twee jaar arbeidsongeschikt is wegens ziekte of gebrek en dit naar verwachting ook nog zal zijn 6 maanden na die datum. Appellant heeft betrokkene bij besluit van 10 december 2002 met ingang van 5 maart 2003 op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Het daartegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 7 juli 2004 (hierna: bestreden besluit).


2. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe is overwogen dat nu het primaire besluit van 10 december 2002 pas bij brief van 27 maart 2003 aan betrokkene is bekend gemaakt, de ontslagdatum van 5 maart 2003 een ontslag met terugwerkende kracht inhoudt hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts is overwogen dat de gedingstukken geen enkele blijk geven van enig onderzoek naar de mogelijkheden om betrokkene intern te herplaatsen. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat eventuele inspanningen vóór het tijdvak hier van belang appellant niet ontslaan van de verplichting krachtens artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR een herplaatsingsonderzoek te verrichten. De rechtbank heeft appellant opdracht gegeven opnieuw te beslissen op het bezwaar. Tevens zijn bepalingen gegeven over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.


3. Appellant is van mening dat hij voldoende herplaatsingsonderzoek heeft verricht. Uit het rapport van ABP-Zorgbemiddeling blijkt volgens appellant onmiskenbaar dat - zelfs vroegtijdig - de interne herplaatsingsmogelijkheden zijn onderzocht. Betrokkene had de wens overgeplaatst te worden naar Maastricht maar na het incident van 15 november 2001 heeft appellant dit onmogelijk geacht. ABP-Zorgbemiddeling heeft geadviseerd tot reïntegratie bij een andere werkgever. Het naar aanleiding daarvan opgestarte begeleidingstraject is gestaakt wegens het functieongeschiktheidsadvies van het UWV en omdat betrokkene voor 80 tot 100% in de WAO was terecht gekomen. In een dergelijke situatie is volgens appellant een nieuw herplaatsingsonderzoek illusoir.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.


4.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 16 maart 2005 een nader besluit genomen waarbij aan betrokkene niet met ingang van 5 maart 2003 maar met ingang van 31 maart 2003 eervol ontslag is verleend. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding betrokken.


4.2. Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat herplaatsingsonderzoek illusoir zou zijn omdat aan betrokkene een volledige WAO-uitkering was toegekend, overweegt de Raad het volgende. Volgens zijn vaste jurisprudentie - verwezen wordt naar de uitspraken van 13 september 2001 LJN AD5013 en van 25 februari 2004, LJN AO4714 - is de Raad met betrekking tot bepalingen als artikel 98, derde lid, van het ARAR van oordeel dat de bepalingen betreffende het herplaatsingsonderzoek door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht genomen dienen te worden. Van het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek kan slechts worden afgezien als het verrichten van arbeid wegens de gezondheid van een betrokkene als louter hypothetisch moet worden beschouwd. De Raad is van oordeel dat uit de thans voorhanden zijnde gegevens zoals het functie-ongeschiktheidsadvies slechts kan worden afgeleid dat betrokkene ongeschikt wordt geacht voor haar eigen arbeid van groepsfunctionaris C bij de Douane met een omvang van 36 uur per week. Dit functieongeschiktheidsadvies houdt niets in over geschiktheid voor andere arbeid en strekt daar ook niet toe gezien het bepaalde in artikel 98, zevende lid, in samenhang met het derde lid, onder a en b, van deze bepaling van het ARAR. Het formulier van de bedrijfsarts van 13 maart 2002 waarin zonder verdere toelichting is vermeld dat betrokkene volledig niet belastbaar wordt geacht, geeft evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet louter zou zien op de geschiktheid van betrokkene voor haar eigen arbeid. Ook de aan betrokkene verleende WAO-uitkering behoeft niet te betekenen dat zij tot geen enkele arbeid meer in staat zou zijn. In dit geval is naar het oordeel van de Raad dan ook onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie waarin het verrichten van arbeid als louter hypothetisch moet worden beschouwd.


4.3. Het feit dat ABP-Zorgbemiddeling heeft geadviseerd tot externe reïntegratie kan niet afdoen aan de wettelijke verplichting zoals neergelegd in artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding. Ook inspanningen van appellant van vóór het tijdvak hier van belang ontslaan appellant niet van die verplichting. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er voor betrokkene geen andere arbeid beschikbaar was binnen de Belastingdienst. Dat een plaatsing van betrokkene in Maastricht niet tot de mogelijkheden behoorde, acht de Raad onvoldoende onderbouwd. De in hoger beroep ingebrachte e-mail waarin wordt bevestigd dat er in Maastricht geen formatieve ruimte was voor een functionaris in groepsfunctie C maakt dit niet anders omdat in het kader van een herplaatsingsonderzoek ook andere arbeid in beschouwing genomen dient te worden. Dat plaatsing van betrokkene bij de vestigingsplaats Maastricht op bezwaren zou stuiten wegens het incident dat heeft plaatsgevonden bij de politie te Maastricht in november 2001 overtuigt de Raad, gelet op de aard van het incident enerzijds en de aard van betrokkenes functie anderzijds, niet. Bovendien is niet gebleken van onderzoek naar mogelijkheden tot plaatsing in functies waarin geen of minder frequent contacten met het publiek nodig zijn. Tot slot overweegt de Raad dat de door betrokkene destijds uitgesproken voorkeur voor Maastricht niet weg neemt dat appellant uit een oogpunt van zorgvuldig herplaatsingsonderzoek ook andere vestigingsplaatsen van de Belastingdienst in beschouwing had dienen te nemen.


4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Voorzover het beroep geacht moet worden te zijn gericht tegen het nadere besluit van 16 maart 2005, zal dit beroep gegrond worden verklaard en het besluit worden vernietigd, nu daarbij het aan eerdere besluit op bezwaar klevende gebrek niet is hersteld .


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 maart 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 422,- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) A.D. van Dissel-Singhal.


HD

20.05