Centrale Raad van Beroep, 16-08-2006 / 05-4826 WW


ECLI:NL:CRVB:2006:AY7082

Inhoudsindicatie
Kan weigering WW-uitkering in rechte standhouden omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden? Is sprake van zodanige bezwaren dat de voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van betrokkene kan worden gevergd?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-16
Publicatiedatum
2006-08-29
Zaaknummer
05-4826 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2006/311
Uitspraak

05/4826 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2005, 04/1016, (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)


en


appellant.


Datum uitspraak: 16 augustus 2006.

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. drs. S.L. Haasdijk, advocaat te Leeuwarden, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen mr. drs. Haasdijk voornoemd.


Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend.


Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en betrokkene als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

"Eiser, geboren [in] 1946, is sinds 5 december 1977 werkzaam geweest bij [naam werkgever 1] (hierna: de werkgever), laatstelijk in de functie van procesoperator bij de werkmaatschappij [naam werkmaatschappij].

Bij beschikking van 19 december 2003 heeft de kantonrechter, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoekschrift van de werkgever van 15 december 2003, de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2004 ontbonden wegens gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek.

Op 16 april 2004 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 22 april 2004 heeft verweerder een WW-uitkering geweigerd omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Overwogen is dat eiser actief dan wel passief heeft bijgedragen aan de voortijdige beëindiging van zijn dienstverband door zich er bij de kantonrechter niet op te beroepen dat bij het ontbindingsverzoek geen reïntegratieplan was gevoegd.

Het namens eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit - met een gewijzigde motivering - ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich onvoldoende inhoudelijk heeft verweerd tegen het ontslag. Volgens verweerder is aannemelijk dat een inhoudelijk verweer kans van slagen zou hebben gehad. Niet aannemelijk is dat eiser dermate slecht is gaan functioneren dat een verweer gericht op het instandhouden van de arbeidsovereenkomst geen kans van slagen zou hebben gehad en voorts is verweerder niet gebleken van enige inzet van de werkgever om passende werkzaamheden binnen de organisatie te vinden. Verweerder wijst er verder op dat eiser ten tijde van de ontbinding van het dienstverband ziek was en daarvan bij de kantonrechter ten onrechte geen melding heeft gemaakt."


3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit van 27 juli 2004, waarbij het bezwaar tegen het besluit van

22 april 2004 ongegrond is verklaard, bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Vast staat dat eiser in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter geen expliciet inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Beoordeeld dient dan ook te worden of aannemelijk is dat de kantonrechter, indien eiser wel verweer had gevoerd, daarin aanleiding zou hebben gezien het ontbindingsverzoek af te wijzen. Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in ieder geval had moeten aanvoeren dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om andere passende werkzaamheden binnen de organisatie te vinden en voorts een beroep had moeten doen op het opzegverbod wegens ziekte.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de beschikbare stukken echter niet worden afgeleid dat indien eiser bij de kantonrechter een dergelijk verweer had gevoerd dit kans van slagen zou hebben gehad. Dat eiser ten tijde van de ontbindingsprocedure ziek was behoeft niet zonder meer aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in de weg te staan. Bovendien heeft verweerder -behoudens een telefoontje naar de toenmalige gemachtigde van eiser- geen enkel eigen onderzoek verricht naar de feiten en omstandigheden die daadwerkelijk tot de beëindiging van de arbeidsovereen-komst hebben geleid. Dit klemt temeer daar eiser reeds in de bezwaarfase gemotiveerd heeft aangegeven dat hij al jaren niet meer aan de functie-eisen kon voldoen en voorts heeft betwist dat de mogelijkheden van ander werk binnen de organisatie van de werkgever niet zouden zijn onderzocht. Een en ander is ter zitting door de

getuige H. [D.] bevestigd, waarbij is aangegeven dat de mogelijkheden van ander werk bij de werkgever beperkt waren, onder meer wegens reorganisatieperikelen. Gelet op de door eiser geschetste omstandigheden lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder om te onderzoeken of inderdaad sprake is geweest van gebrekkig functioneren en zo ja, in hoeverre eiser daarvan een verwijt is te maken. Dit geldt eveneens voor de mogelijkheden van ander passend werk bij de werkgever, nu in het licht van de verklaring van getuige [D.] verweerder niet kan volstaan met de stelling dat binnen een dergelijke grote organisatie voldoende andere functies aanwezig zouden moeten zijn."


4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor zijn stellingname wel een voldoende deugdelijke onderbouwing voorhanden is, waarbij hij met name heeft gewezen op de verklaring van S. [W.], de directe chef van betrokkene, van

24 september 2004. Voorts kan aan de voorhanden zijnde gegevens naar zijn opvatting worden ontleend dat betrokkene niet al het nodige heeft gedaan om beëindiging van de dienstbetrekking te voorkomen.


4.2. Betrokkene heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, en ter onderbouwing van de stelling dat van betrokkene niet in redelijkheid kon worden verlangd inhoudelijk verweer te voeren in de door de werkgever aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure nadere gegevens in het geding gebracht.


5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.


5.1. Met de rechtbank stelt de Raad allereerst vast dat aan het door appellant in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat van betrokkene verlangd kon worden dat deze in de ontbindingsprocedure inhoudelijk verweer had gevoerd, nagenoeg geen onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Door appellant is dit ter zitting erkend.


5.2. Niettemin, zo heeft appellant ter zitting aangevoerd, ontbeert evengenoemd standpunt niet een deugdelijke feitelijke grondslag. Daartoe heeft appellant ter zitting gesteld dat betrokkene een aantal handvatten had voor het voeren van inhoudelijk verweer; zo had betrokkene onder meer kunnen wijzen op de omstandigheid dat hij op het moment dat het ontbindingsverzoek is ingediend ziek was, op de aanwezigheid van een sociaal plan omdat er kennelijk een reorganisatie bij de werkgever aan de orde was, op de omstandig-heid dat er niet, dan wel in onvoldoende mate, door de werkgever voor hem was gezocht naar andere, passende werkzaamheden. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij er niet van is overtuigd dat de in de loop van de tijd gewijzigde invulling van de functie van betrokkene en de daaruit voor betrokkene voortvloeiende vereisten zodanige bezwaren voor betrokkene opleveren dat moet worden gezegd dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van betrokkene zou kunnen worden gevergd. Tot slot heeft appellant gesteld dat hij er niet van is overtuigd dat er voor betrokkene geen andere, passende werkzaamheden aanwezig waren in het bedrijf van de werkgever.


5.3. De Raad is van oordeel dat appellant niet kan volstaan met een opsomming van omstandigheden waarop betrokkene bij het voeren van inhoudelijk verweer had kunnen wijzen. Het gaat immers blijkens de jurisprudentie van de Raad niet slechts om de kans van slagen van het voeren van verweer als zodanig, maar om de constatering dat het voeren van verweer enige realiteitswaarde heeft. Zijn er voor de betrokkene geen argumenten (‘handvatten’) voorhanden om verweer te voeren, dan is de kans van slagen ervan niet anders dan gering te achten. Zijn dergelijke argumenten er wel, dan is om aan te kunnen nemen dat sprake is van een reële kans van slagen nadere uitleg en onder-bouwing nodig. Deze ontbreekt hier echter.


5.4. Voorts is de Raad van oordeel dat de vraag of het voeren van inhoudelijk verweer van betrokkene kon worden verlangd, in die zin dat het voeren van zodanig verweer kans van slagen had gehad, thans, gelet op de voorhanden zijnde, met name door betrokkene aangedragen, gegevens, kan worden beantwoord en wel in ontkennende zin. De Raad ziet met name in de verklaring van S. [W.], de directe chef van betrokkene, van 24 september 2004, de verklaringen van H. [D.], human resource manager bij de werkgever, van 20 juni 2005, afgelegd ter zitting van de rechtbank, en van 8 november 2005, de verklaring van H. [V.], de toenmalige gemachtigde van betrokkene, van 9 november 2005, de verklaring van A. [A.], sales manager van de FSR Opleidings-groep, bij welke groep betrokkene aan een cursus “Omgaan met de PC” heeft deel- genomen, alsmede de verklaring van de bedrijfsarts A.C. Drevijn van 16 september 2005 genoegzaam steun voor het oordeel dat niet aannemelijk is te achten dat het voeren van inhoudelijk verweer een reële kans van slagen had gehad, waaronder de Raad verstaat dat de kans van slagen daadwerkelijk groter is dan de kans van niet-slagen. De Raad wijst er daarbij nog op dat, zoals appellant ter zitting ook heeft erkend, de omstandigheid dat een werknemer ten tijde van het indienen van een ontbindingsverzoek ziek is op zichzelf niet betekent dat het voeren van verweer, waarbij deze omstandigheid wordt aangevoerd, kans van slagen heeft als zojuist bedoeld.


5.5. De Raad is derhalve van oordeel dat de onder 5.4. genoemde verklaringen een genoegzame onderbouwing vormen voor het oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is van zodanige bezwaren dat de voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van betrokkene kan worden gevergd. De Raad merkt hierbij op dat uit die verklaringen volgt dat de werkgever voornemens was de arbeidsovereenkomst met betrokkene te beëindigen en dat de omstandigheden die aan die opstelling ten grondslag lagen zodanig concreet en reëel zijn te achten dat betrokkene niet kan worden verweten, met deze opstelling van zijn werkgever geconfronteerd en bekend met de aan die opstelling ten grondslag liggende omstandigheden, dat hij zich niet inhoudelijk tegen de beëindiging heeft verzet. Ook bieden de verklaringen genoegzaam steun voor het oordeel dat tussen de werkgever en betrokkene wel degelijk is besproken of er passende werkzaamheden voor betrokkene waren maar dat die vraag, gelet op betrokkenes beperkingen, ontkennend is beantwoord. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat het niet voor de hand ligt dat, als hij naar deze aspecten nader onderzoek zou hebben verricht, dat tot andersluidende verklaringen zou hebben geleid dan die welke thans voorliggen.


5.6. Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, zij het met wijziging van gronden, dient te worden bevestigd.


6.1. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2006.


(get.) H. Bolt.


(get.) M.D.F. de Moor.