Centrale Raad van Beroep, 31-08-2006 / 03-6572 WUV


ECLI:NL:CRVB:2006:AY7609

Inhoudsindicatie
Weigering toekenning gevraagde periodieke WUV-uitkering en de voorziening voor fysiotherapie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-31
Publicatiedatum
2006-09-06
Zaaknummer
03-6572 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

3/6572 WUV


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats] (Canada), (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 31 augustus 2006


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

29 september 2003, kenmerk JZ/R70/2003, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Appellant is daar niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. OVERWEGINGEN


Appellant, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem als vervolgde voor een periodieke uitkering en bijzondere voorzieningen op grond van de Wet in aanmerking te brengen. Hij heeft aangegeven zowel psychische als lichamelijke klachten te hebben tengevolge van zijn internering tijdens de Japanse bezetting.


Verweerster heeft appellant naar aanleiding van deze aanvraag bij besluit van 6 december 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Verweerster heeft hierbij aanvaard dat de bij appellant bestaande psychische klachten het gevolg zijn van zijn internering, maar een causaal verband als bovenbedoeld heeft zij niet aanwezig geacht met betrekking tot de rugklachten en heupklachten van appellant en evenmin met betrekking tot zijn hartklachten.

Verweerster heeft appellant een vergoeding voor extra huishoudelijke hulp alsmede een tegemoetkoming voor kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. De gevraagde periodieke uitkering en de voorziening voor fysiotherapie heeft verweerster evenwel afgewezen; de periodieke uitkering op de grond dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijd-genoten, en de voorziening voor fysiotherapie op de grond dat deze voorziening geen verband houdt met ziekten of gebreken die uit de vervolging voortvloeien.

Appellant kan zich niet verenigen met deze afwijzende beslissing. Hij is van mening dat zijn rug- en heupklachten wel degelijk te wijten zijn aan de mishandelingen tijdens zijn internering en aan de zware arbeid die hij op jeugdige leeftijd in de kampen heeft moeten verrichten en voorts dat zijn psychische klachten hem problemen geven in zijn relaties en werk.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Het standpunt van verweerster is gebaseerd op een tweetal adviezen van haar geneeskundig adviseurs, P. Windels en M. Hoornstra-Deurloo. Deze adviezen berusten op de resultaten van een door de psychiater F. Shane in september 2002 verricht onderzoek van appellant alsmede op informatie van de appellant behandelend artsen, terwijl in het kader van de bezwaarprocedure uitdrukkelijk rekening is gehouden met het schrijven van de neuroloog D. Eggertson d.d. 12 december 2000, de brief van de huisarts P.G. Mehta d.d. 4 augustus 2002 en het schrijven van chiropracter R.J. Rosenberg d.d.

15 april 2003.


Uit bovengenoemde adviezen komt naar voren dat er bij appellant sprake is van röntgenologische afwijkingen die artrose (onder meer van schouders en voeten), omvatten, sclerose (van de heupen) en lumbale discusdegeneratie. Het betreft volgens de behandelend artsen degeneratieve afwijkingen.

Zowel de huisarts Metha en de chiropractor Rosenberg maken melding van rug- en heupklachten vanaf de oorlog, maar medische gegevens zijn pas beschikbaar vanaf het einde van de jaren tachtig. Gegevens van eerdere datum, uit de periode dat hij nog in Nederland woonde en nadien in Zuid-Amerika en in Afrika, zijn, aldus appellant, niet meer voorhanden.

De geneeskundig adviseurs hebben, gezien de aard van de ten tijde van de aanvraag van appellant aanwezige beperkingen en het ontbreken van medische gegevens over de periode van 1945 tot 1988, slechts kunnen vaststellen dat er bij appellant sprake is van degeneratieve afwijkingen die geen verband houden met de vervolging maar in het algemeen samenhangen met het verouderingsproces van het lichaam.

De Raad heeft in de wel voorhanden medische gegevens geen aanwijzingen gevonden om dat standpunt onjuist te achten. Ook R.J. Rosenberg geeft in feite een beschrijving van degeneratieve afwijkingen, welke hij vervolgens toeschrijft aan mishandeling tijdens appellants kinderjaren zonder deze conclusie overigens goed te motiveren.


Verweersters afwijzing van appellants aanvraag om een voorziening ter zake van fysiotherapie acht de Raad gelet op het vorenstaande voldoende medisch onderbouwd.

De Raad ziet derhalve geen grond dit onderdeel van het bestreden besluit aan te tasten.


Met betrekking tot de psychische klachten van appellant heeft psychiater F. Shane in zijn rapport van 20 september 2002 aangetekend dat er bij appellant restverschijnselen zijn van PTSD die met name nachtmerries, herbelevingen en soms enuresis nocturna geven. Appellant neigt tot vermijding en heeft moeite met relaties aangaan omdat hij bang is gekwetst te worden. Er lijkt dan ook sprake van beperkingen.

De geneeskundig adviseur P. Windels heeft uit dit rapport afgeleid dat de bij appellant aanwezige psychische klachten niet hebben geleid tot dusdanige beperkingen dat er sprake is van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.

Zoals door de andere geneeskundig adviseur M. Hoornstra-Deurloo blijkens de aantekening op haar advies van 28 mei 2003 is onderkend, ontbreekt evenwel in het rapport van psychiater F. Shane een omschrijving van de beperkingen die appellant als gevolg van zijn psychische klachten heeft in het leven van alle dag. Zeker ontbreekt een duidelijke omschrijving van de (ernst van de) beperkingen volgens de AMA-schalen, zoals die door verweerster worden gehanteerd bij de beoordeling van de mate van psychische invalidering bij de betrokkene. Blijkens de hier bedoelde aantekening zou aan de psychiater om nadere informatie zijn gevraagd met betrekking tot de beperkingen van appellant, maar die informatie bevindt zich niet onder de stukken en heeft de gemachtigde van verweerster desgevraagd ook niet kunnen overleggen.

De Raad moet dan ook vaststellen dat de door verweerster in haar besluit overgenomen slotsom van de geneeskundig adviseurs, dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten, aldus op een onvoldoende grondslag berust.


Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit van verweerster op dit punt geen stand kan houden.


Van kosten die in het kader van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond voor zover bij het bestreden besluit het verzoek om periodieke uitkering ingevolge de Wet is afgewezen;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat verweerster op dit punt een nieuw besluit neemt met in achtneming van deze uitspraak;

Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 27,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en J.G. Treffers en G.L.M.J. Stevens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) P.W.J. Hospel.


HD

17.08