Centrale Raad van Beroep, 16-11-2006 / 05-4597 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3640

Inhoudsindicatie
Afwijzing van het verzoek om uitbetaling van het nog openstaande vakantietegoed.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-16
Publicatiedatum
2006-12-05
Zaaknummer
05-4597 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2007/27
Uitspraak

05/4597 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante], (hierna: appellante)


tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2005, 04/1970 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: college)


Datum uitspraak: 16 november 2006



I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006. Voor appellante is verschenen mr. M.M. Spooren, advocaat te Maastricht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.F.W. Gerardu, werkzaam bij de Universiteit Maastricht.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Appellante is van 1 november 2000 tot 1 november 2002 voor bepaalde tijd aangesteld geweest als onderzoeker bij het onderzoeksinstituut Infonomics van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde van de Universiteit Maastricht.


1.2. Bij brief van 19 mei 2004 is namens appellante verzocht om uitbetaling van het op

1 november 2002 nog openstaande vakantietegoed van 128 uren. Bij besluit van 23 juni 2004 is dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 13 oktober 2004 heeft het college dit besluit na bezwaar gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


3.1. De CAO Nederlandse Universiteiten, zoals deze gold van 1 juni 2002 tot

31 augustus 2003, kent geen bepalingen betreffende de aanspraak op uitbetaling van vakantietegoed bij het eindigen van het dienstverband. De Regeling voor vakantie en verlof Universiteit Maastricht 1997 (hierna: Regeling) bepaalt in artikel 8, eerste lid, dat indien de medewerker op de datum van de beëindiging van zijn dienstverband nog aanspraak heeft op vakantie, hem voor ieder uur een vergoeding kan worden toegekend ten bedrage van de bezoldiging per uur die de medewerker direct voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband heeft genoten. Er is in de Regeling derhalve sprake van een niet nader uitgewerkte discretionaire bevoegdheid.


3.2. Door het college is gesteld dat het beleid ten tijde van het einde van het dienst-verband van appellante was dat niet tot uitbetaling van vakantietegoed na ontslag werd overgegaan, tenzij daarover - schriftelijk- afspraken waren gemaakt met de leiding-gevende. Dit beleid is bekendgemaakt op de website van de Universiteit. In het onderhavige geval zijn geen afspraken met de leidinggevende gemaakt. Tevens is het college van oordeel dat appellante tijdens haar dienstverband voldoende in de gelegenheid is geweest om verlofdagen op te nemen.


3.3. De Raad is niet gebleken dat er door appellante afspraken, schriftelijk of mondeling, zijn gemaakt met haar leidinggevende omtrent het uitbetalen van het op 1 november 2002 nog resterende vakantietegoed. De voor de ontslagdatum tussen appellante en haar leidinggevende gewisselde emails hebben als onderwerp het opnemen van vakantiedagen vóór 1 november 2002; door de leidinggevende wordt hierop sterk aangedrongen. Of een op 1 november 2002 eventueel nog resterend vakantietegoed zal worden uitbetaald is hierbij door appellante niet aan de orde gesteld.


3.4. De informatie omtrent het beleid is op de website van de Universiteit zowel in een Nederlandse als een Engelse versie beschikbaar gesteld. Appellante heeft aangevoerd dat de Engelse tekst niet aangeeft dat voor uitbetaling vereist is dat schriftelijke afspraken met de leidinggevende worden gemaakt. Dienaangaande merkt de Raad op dat hij de betekenis daarvan in het midden kan laten, nu de Engelse tekst, evenmin als de Nederlandse tekst appellante aanspraak geeft op uitbetaling van haar vakantietegoed. Beide teksten herhalen slechts het gestelde in de Regeling en geven aan dat instemming van de leidinggevende noodzakelijk is.


3.5. Appellante heeft aangevoerd dat haar leidinggevende haar tijdig erop had moeten wijzen dat niet opgenomen vakantiedagen niet zouden worden uitbetaald. Appellante zou dan eerder vakantie hebben opgenomen. De Raad overweegt hieromtrent dat, nu nergens is bepaald dat er aanspraak bestaat op uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen, het op de weg van appellante had gelegen om over de mogelijkheid van uitbetaling tijdig informatie in te winnen of in overleg te treden met haar leidinggevende. Blijkbaar heeft appellante verondersteld dat een resterend vakantietegoed wel aan haar zou worden uitbetaald en heeft zij haar gedrag daarop afgestemd. Nu die veronderstelling niet kan worden ontleend aan de Regeling en de daarover op de website gegeven informatie en appellante zelf geen nadere informatie heeft ingewonnen, kan het college voor deze bij appellante aanwezige ongegronde veronderstelling niet verantwoordelijk worden gehouden.


3.6. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij om redenen van dienst-belang haar vakantietegoed niet voor het einde van het dienstverband heeft kunnen benutten. Ten dele is dit in de week van 23 september 2002 het gevolg geweest van ziekte, welke omstandigheid tenminste evenzeer in de risicosfeer van appellante is gelegen dan in die van haar werkgever. Voor zover appellante gesteld heeft dat zij gedurende de laatste twee weken van haar dienstverband geen vakantie heeft kunnen opnemen, omdat zij noodzakelijk werkzaamheden te doen had in verband met de afwerking van een mede door haar georganiseerd congres, is de Raad van oordeel dat appellante deze omstandigheid ruim tevoren had kunnen zien aankomen, zodat zij daarmee tijdig rekening had kunnen houden door eerder in het jaar vakantie op te nemen.

Reeds begin juni 2002 is appellante aangezegd dat haar tijdelijk dienstverband na

1 november 2002 niet zou worden verlengd.


3.7. Tenslotte overweegt de Raad dat van bijzondere omstandigheden aan de kant van appellante op grond waarvan het college voor haar een uitzondering op het beleid had moeten maken niet is gebleken.


4. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het college niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 november 2006.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) O.C. Boute.


HD

20.11