Centrale Raad van Beroep, 23-11-2006 / 05-5086 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3680

Inhoudsindicatie
Heeft de minister het verzoek van betrokkene om zijn gemiddelde arbeidsduur vast te stellen op 40 uur per week terecht afgewezen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-11-23
Publicatiedatum
2006-12-08
Zaaknummer
05-5086 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2007/43
Uitspraak

05/5086 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 juli 2005, 04/155 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Minister van Justitie (hierna: minister)


Datum uitspraak: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 05/5085 tussen P.F.J. [K.] en de minister, plaatsgevonden op

12 oktober 2006. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. D. van Zoelen, werkzaam bij de CMHF. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek en mr. R.W.M. van der Zon, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie. Op verzoek van P.F.J. [K.] is als getuige gehoord A. [L.]. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in het onderhavige geding afzonderlijk uitspraak gedaan.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. In het jaar 2000 is een reorganisatie van het gevangeniswezen in gang gezet, die er toe leidde dat een aantal functies van algemeen directeuren van penitentiaire inrichtingen zou komen te vervallen. Onder meer ter voorkoming van het ontslag van deze boventallige algemeen directeuren heeft de minister binnen de projectenpool van de Dienst Justitiële Inrichtingen onder de benaming portefeuilledirecteur een zevental adviesfuncties gecreëerd rond de hoofdprocessen of resultaatgebieden waarvoor de Sectordirecteur Gevangeniswezen eindverantwoordelijkheid draagt. De voormalig algemeen directeuren die worden benoemd in de functie van portefeuilledirecteur behouden de rechtspositie van hun vroegere functie van algemeen directeur. Ook overigens wordt de functie op maat gesneden, hetgeen onder meer inhoudt dat zij hun functie kunnen vervullen vanuit een in hun woonhuis ingericht kantoor.


1.2. Appellant is sinds 1975 werkzaam geweest bij het ministerie van Justitie. In de periode van 1 december 2000 tot 1 juli 2002 heeft appellant de functie vervuld van algemeen directeur van de Penitentiaire Inrichtingen [regio]. Bij besluit van 21 juni 2002 is appellant conform zijn verzoek met ingang van 1 juli 2002 geplaatst in de functie van portefeuilledirecteur, belast met de portefeuille Belanghebbenden en Externe Betrekkingen. Appellant heeft de rechtspositie verbonden aan de functie van algemeen directeur behouden, waaronder het recht om - per 1 december 2003 - met functioneel leeftijdsontslag (FLO) te gaan.


1.3. Bij brief van 5 december 2002 heeft appellant de minister verzocht zijn gemiddelde arbeidsduur met ingang van 1 januari 2003 vast te stellen op 40 uur per week. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 17 juli 2003. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard bij zijn besluit van 10 december 2003 (hierna: bestreden besluit).


2. Het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de minister heeft kunnen beslissen dat een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen de toewijzing van het verzoek.


3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd als volgt.


3.1. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 april 2002 (Stb. 216), in werking getreden per 1 april 2002, bedraagt de arbeidsduur gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. Op grond van de tweede volzin van deze bepaling kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt blijkens de derde volzin toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In de toelichting bij voornoemde wijziging en in de Circulaire van 11 april 2002, kenmerk 5150192/02/DJI, met betrekking tot de flexibilisering van de arbeidsduur zijn voorbeelden gegeven van situaties waarin een (zwaarwegend) dienstbelang zich verzet tegen toewijzing van een verzoek om verhoging van de gemiddelde arbeidsduur per week. Daarvan is onder meer sprake als een dergelijk verzoek zou leiden tot ernstige problemen:

- van financiële of organisatorische aard;

- wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk;

- of omdat de formatieruimte onvoldoende is.

De gegeven opsomming is niet limitatief.


3.2.1. De Raad acht aannemelijk dat de minister voor de functies van portefeuilledirecteur als uitgangspunt heeft genomen een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Dit is immers de normale arbeidsduur volgens artikel 21, tweede lid, eerste volzin, van het ARAR. Daarbij acht de Raad van belang de achtergrond van de totstandkoming van deze functies, met name het creëren van adviesfuncties ter voorkoming van ontslagen na een reorganisatie, en de omstandigheid dat appellant in deze functie is geplaatst ter overbrugging van de periode van 1 juli 2002 tot 1 december 2003, zijnde de datum dat hij met FLO zou gaan. Uit de beschrijving van de werkzaamheden van de hand van appellant, waarbij elke indicatie voor de benodigde uren ontbreekt, volgt niet dat deze functie niet in gemiddeld 36 uur per week kan worden verricht. Volgens deze beschrijving zou appellant ook diverse werkzaamheden uitbesteden. Daarnaast acht de Raad van belang - naar namens de minister is aangevoerd - dat aan appellant niet is opgedragen de door hem beschreven werkzaamheden vóór zijn FLO-ontslag af te ronden. Dat appellant in de praktijk wellicht (veel) meer dan gemiddeld 36 uur per week heeft gewerkt kan niet doorslaggevend zijn nu de minister dit in deze functie niet van hem verlangde en de minister de vrijheid toekomt om de omvang van een functie te bepalen. Overigens blijkt uit de stukken dat het appellant was toegestaan compensatieuren op te bouwen en merkt de Raad ten slotte nog op dat het verrichten van (enig) overwerk in een functie van dit niveau allerminst ongebruikelijk is. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een (zwaarwegend) dienstbelang zich verzet tegen toewijzing van het verzoek wegens onvoldoende werkaanbod voor een werkweek van gemiddeld 40 uur per week.


3.2.2. De omstandigheid dat appellant verlofuren heeft overgehouden over het jaar 2003, kan evenmin leiden tot een gehoudenheid voor de minister om het verzoek toe te wijzen. Het is immers de keuze van appellant zelf geweest om, in afwachting van een beslissing op zijn verzoek, gemiddeld meer dan 40 uur per week te werken.


3.2.3. Appellant heeft ten slotte nog naar voren gebracht dat het verzoek tot wijziging van de formele arbeidsduur naar 40 uur per week van anderen, onder wie een of meer algemeen directeuren van penitentiaire inrichtingen, wèl is ingewilligd. Daarmee heeft hij een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Raad is echter geen sprake van gelijke gevallen omdat appellant de functie van portefeuilledirecteur heeft vervuld, welke naar zijn aard en voorgeschiedenis niet op een lijn is te stellen met de functie van algemeen directeur. Eerstgenoemde functie heeft appellant voorts bekleed ter overbrugging van een vooraf vastgestelde periode tot aan zijn FLO datum. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet.


3.3. Nu reeds het ontbreken van voldoende (structureel) werkaanbod zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van appellant, is er geen aanleiding in te gaan op de overige door de minister gehanteerde afwijzingsgronden.


3.4. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.W.J. Hospel.