Centrale Raad van Beroep, 22-12-2006 / 04-4037 WAO


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5212

Inhoudsindicatie
WAO-schatting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-22
Publicatiedatum
2006-12-27
Zaaknummer
04-4037 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/4037 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juli 2004, 01/4318

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).





Datum uitspraak: 22 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E.C. Smith, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. drs. A.J. Verdonk.



II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 16 mei 2001 heeft gedaagde de aan appellante verstrekte WAO-uitkering per 16 juli 2001(de datum in geding) ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.


Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 oktober 2001 ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft aanleiding gezien de neurochirurg dr. R.R.F. Kuiters als deskundige in te schakelen. Kuiters heeft een rapport gedateerd op 4 maart 2003 uitgebracht.


Bij besluit van 30 september 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante (op arbeidskundige gronden) gegrond verklaard en per 16 juli 2001 de aan appellante toegekende (later ingetrokken) WAO-uitkering, herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.


Appellante heeft een contra-expertise laten verrichten door inspanningsfysioloog/bewegingswetenschapper drs. C.P Kesselaar, werkzaam bij Contra Expertise en Inspanningsonderzoek naar Arbeidsbelastbaarheid, die op 22 december 2003 rapport van haar bevindingen heeft uitgebracht.


De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2001 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


Appellante heeft zich niet met de ongegrond verklaring van het beroep kunnen verenigen.


De Raad overweegt als volgt.


In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.

De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval onvoldoende aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Kuiters kennis genomen heeft van de stukken en appellante zelf lichamelijk heeft onderzocht. Hij heeft voorts uitgebreid van zijn bevindingen gerapporteerd. Zijn conclusies komen overeen met de conclusies van de verzekeringsarts. Het rapport van de deskundige is zorgvuldig en consistent en is naar behoren gemotiveerd. Kuiters heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante op de in geding zijnde datum in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.

In het rapport van Kesselaar treft de Raad geen aanknopingspunten aan om van bovenvermelde hoofdregel af te wijken. Hiertoe overweegt de Raad dat het afkomstig is van een niet-medicus en dat de bevindingen (deels gebaseerd op van 24 december 2003 daterende testen) niet zijn toegespitst op de situatie ten tijde in geding. Bovendien is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 december 1994, gepubliceerd in RSV 1995/129, van oordeel dat de uitkomsten van dergelijke onderzoeken met terughoudendheid dienen te worden gehanteerd bij beoordelingen als de onderhavige, reeds omdat in verband met de gebruikte onderzoeksmethode de onderzochte persoon zelf, al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek. Echter, ook indien gezegd zou moeten worden dat de resultaten van zo'n onderzoek noch door de onderzoeker, noch door de onderzochte zouden kunnen worden beïnvloed, dan is daarmee nog niet gegeven dat alsdan aan de hier naar vaste jurisprudentie aan te leggen maatstaf met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken is voldaan, te weten het op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het zogeheten maatmaninkomen.

De Raad heeft, evenals de rechtbank, geen reden te twijfelen aan het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en aan het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon.


Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.


De Raad acht geen termen aanwezig voor een procekostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.



(get.) G.J.H. Doornewaard.




(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.




SSw