Centrale Raad van Beroep, 07-12-2006 / 04-6478 MAW en volgende


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5218

Inhoudsindicatie
De namen van de appellanten moeten voor het einde van de beroepstermijn bekend zijn. Geen hersteltermijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-07
Publicatiedatum
2006-12-27
Zaaknummer
04-6478 MAW en volgende
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2007/45
  • ABkort 2007/55
Uitspraak

04/6478 MAW en volgende


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


[appellanten], zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst, (hierna: appellanten),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2004, 03/1334 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


appellanten


en


de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)


Datum uitspraak: 7 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld.


De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 september 2006. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.


De Raad heeft het onderzoek heropend en partijen schriftelijk vragen gesteld.


Partijen hebben deze vragen beantwoord.


Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming gegeven de gedingen buiten zitting af te doen. De Raad heeft hierop het onderzoek gesloten.



II. OVERWEGINGEN


1.1. Mr. A.J. de Boer heeft op 24 november 2004 aan de Raad een schrijven gezonden van de volgende inhoud:

“ Hierbij stel ik namens mijn cliënten, (voormalige) medewerkers van het huidige Verwervingscentrum (VC) van de Militaire Inlichtingendienst en Veiligheidsdienst (MIVD), als hun bepaaldelijk gevolmachtigde pro forma beroep in tegen bijgaande uitspraak d.d. 7 oktober 2004 (verzonden op 13 oktober 2004) van de Rechtbank

’s-Gravenhage (bijlage).

Ik verzoek u mij een termijn te verlenen waarbinnen de gronden van dit beroep door u moeten zijn ontvangen.”


1.2. Na herhaalde verzoeken van de Raad heeft mr. De Boer voornoemd bij schrijven van 1 februari 2005 een lijst ingezonden van “Ploegendienstmedewerkers Sectie Verwerving” met daarop vermeld 70 achternamen, met registratie- dan wel personeelsnummer, en een lijst met “(Voorlopig) Ploegendienstmedewerkers Sectie Verwerking” met daarop vermeld 18 achternamen eveneens met registratie/personeelsnummer.


1.3. Bij schrijven van 15 maart 2005 zijn de gronden voor het hoger beroep ingediend.


1.4. Nogmaals gevraagd heeft mr. De Boer bij schrijven van 8 juni 2005 lijsten aan de Raad toegezonden met de achternamen inclusief de voorletters en woonplaatsen van de cliënten waarvoor hij hoger beroep had ingesteld. Daarbij is vermeld dat het in totaal om 88 personen gaat.


2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het bezwaar- of beroepschrift worden ondertekend en moet het tenminste bevatten:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.


2.1. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een door hem daartoe gestelde termijn.


2.2. Door mr. De Boer is binnen de beroepstermijn pro forma beroep ingesteld namens niet nader genoemde cliënten. Bij het beroepschrift was niet een lijst gevoegd met de namen van de cliënten namens wie het hoger beroep werd ingesteld. De aangevallen uitspraak zoals die door mr. De Boer bij het beroepschrift was meegezonden - die blijkens de inhoud was gewezen ten aanzien van 222 belanghebbenden - was gesteld op naam van “[appellant], wonende te [woonplaats], e.a., eisers”. Ook de aangevallen uitspraak zoals die met het beroepschrift was meegezonden bevatte geen lijst met namen.


2.2.1. Dit betekent dat het noch voor de Raad, noch voor de staatssecretaris duidelijk was namens wie van de eisers op wie de aangevallen uitspraak betrekking had, hoger beroep was ingesteld. Evenmin valt daarmee uit te sluiten dat de personen namens wie volgens de later toegezonden lijsten het hoger beroep is ingesteld, pas na de appeltermijn opdracht hebben gegeven hoger beroep in te stellen.


2.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 februari 2004, 01/3139 AW, LJN AO4682 en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 augustus 2000, LJN AM2331, JB 2000, 296 is de Raad van oordeel dat het stelsel van de Awb, met name de artikelen 8:1 in samenhang met 6:7 en 6:11 van die wet, bezien in samenhang met het beginsel van een goede procesorde met zich meebrengt dat vóór het verstrijken van de beroepstermijn de identiteit van de appellanten bekend dient te zijn. Dat is in het algemeen niet mogelijk zonder dat de namen van de appellanten kenbaar zijn gemaakt.


2.4. De omstandigheid dat hoger beroep wordt ingesteld namens personen van wie tijdens de beroeps- of appeltermijn de identiteit niet kenbaar is, kan niet worden beschouwd als een vormverzuim dat met toepassing van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep of hoger beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Daardoor wordt namelijk voor deze personen de beroepstermijn verlengd, zonder dat sprake is van verschonings-gronden in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Dat deze personen mogelijk wel bij de gemachtigde bekend waren acht de Raad onvoldoende.


3. Gelet op het voorgaande kan slechts [appellant] (hierna: appellant), wiens naam was vermeld op de binnen de beroepstermijn toegezonden uitspraak waartegen het hoger beroep was gericht, in zijn hoger beroep worden ontvangen en dient het hoger beroep van de overige 87 appellanten niet-ontvankelijk te worden verklaard.


4. Overgaande tot de bespreking van het namens appellant, burgerambtenaar, ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het navolgende.


4.1. Blijkens de gedingstukken heeft de gemachtigde van appellant in oktober 1997 mede namens appellant verzocht om onmiddellijk over te gaan tot invoering van arbeidsduur-verkorting voor ploegendienstmedewerkers van het Operationeel Verbindings Inlichtingen Centrum (OVIC) en verstrekking van een vergoeding ter compensatie van door hen sedert 1 juli 1989 niet genoten arbeidsduurverkorting (ADV), omdat deze niet alsnog in tijd kan worden genoten. Na eerdere vernietiging in rechte van het naar aanleiding daarvan na bezwaar gehandhaafde besluit waarbij dat verzoek was afgewezen, heeft de staatssecretaris bij het thans bestreden besluit van 13 februari 2003 opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.


4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van (onder meer) appellant ongegrond verklaard. Voor wat betreft de aanspraken opgebouwd vóór 22 oktober 1992 is overwogen dat die aanspraken zijn verjaard. Voorts is overwogen dat als gevolg van intrekking van de circulaire vanaf 1 april 1994 er in ieder geval na die datum geen grond meer bestaat voor een ADV-compensatie. Voor de tussenliggende periode is het beroep ongegrond verklaard omdat het namens appellant ingediende verzoek van 22 oktober 1997 dient te worden gekenschetst als een verzoek om terug te komen van besluiten dan wel handelingen die ten tijde van de indiening van het verzoek reeds in rechte onaantastbaar waren geworden en omdat er namens appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren vermeld.


4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 5 december 2002, 00/1831 MAW enz, LJN AF2871 met betrekking tot onder meer appellant, en van (eveneens) 5 december 2002, 00/2152 MAW enz., onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot zijn oordeel is gekomen. Evenals in zijn uitspraken van 5 december 2002 is de Raad ook thans van oordeel dat uit het verzoek een financiële compensatie te verstrekken vanwege niet genoten ADV kan worden afgeleid dat appellant in feite betoogt dat hem in het verleden ten onrechte recht op ADV is onthouden. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van eerdere, rechtens onaantastbaar geworden besluiten met betrekking tot de roosters/werktijden van (onder meer) appelllant. Evenals in eerder vermelde uitspraken is de Raad van oordeel dat de weigering van de staatssecretaris om terug te komen van zijn eerdere besluitvorming, de terughoudende toetsing kan doorstaan.


5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van Van Wijk;

Verklaart het hoger beroep van de 87 andere appellanten niet ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.





(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.





(get.) P.W.J. Hospel.




HD

04.12

+B