Centrale Raad van Beroep, 21-12-2006 / 05-4785 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5275

Inhoudsindicatie
Is terecht afwijzend beslist om betrokkene een dienstverband voor onbepaalde tijd te verlenen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-12-21
Publicatiedatum
2006-12-28
Zaaknummer
05-4785 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4785 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 juni 2005, 04/1143 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: college)


Datum uitspraak: 21 december 2006


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Namens het college is een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 05/4965 AW, plaatsgevonden op

23 november 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep. Het college heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. J.M.J. van de Pas en drs. J.R. de Wolde, beiden werkzaam bij de Universiteit Utrecht (UU). Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is per 1 juni 1996 in tijdelijke dienst aangesteld als onderzoeker bij de faculteit Natuur- en Sterrenkunde van de UU. Met ingang van 1 december 1996 is appellant in tijdelijke dienst getreden bij de Nederlandse Organisatie voor Weten-schappelijk Onderzoek te ’s-Gravenhage (NWO) als projectmedewerker, ten behoeve van een gesubsidieerd onderzoek en voor de tijd gedurende welke het aandeel van appellant in het onderzoek wordt gesubsidieerd. Dit dienstverband is verlengd tot 1 juli 2002.

Per 1 juli 2002 is appellant tot 1 juli 2005 in tijdelijke dienst aangesteld als onderzoeker bij de faculteit Natuur- en Sterrenkunde.


1.2. Bij brief van 20 februari 2004 heeft appellant het college verzocht om hem een dienstverband voor onbepaalde tijd te verlenen. Hierop heeft het college afwijzend beslist op 7 mei 2004, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van

5 augustus 2004.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3. Appellant meent dat hij aanspraak kan maken op een vast dienstverband omdat de voor hem op grond van de CAO Nederlandse Universiteit (NU) geldende maximale termijn van 6 jaar voor een tijdelijk dienstverband is overschreden. Daarbij gaat hij ervan uit dat het dienstverband bij de NWO meetelt in de berekening, omdat hij in die periode precies dezelfde werkzaamheden heeft verricht. Appellant is vanaf 1996 tot 1 juli 2005 werkzaam geweest als onderzoeker binnen het thema ijs en klimaat en zijn directe chef was al die jaren dezelfde hoogleraar.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de ten tijde hier van belang geldende CAO NU kan met wetenschappelijk personeel een dienstverband voor bepaalde tijd op algemene grond worden aangegaan voor een periode van maximaal 6 jaar. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de CAO NU geldt voor het bepalen van deze termijn slechts de diensttijd bij een en dezelfde werkgever, met een aantal hier niet van belang zijnde uitzonderingen.


4.2. Met partijen kan worden vastgesteld dat de UU en de NWO moeten worden aangemerkt als twee verschillende werkgevers. Nu appellant aanvankelijk - overigens nog niet onder de vigeur van de CAO NU en vóór de totstandkoming van Richtlijn 1999/70 EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - bij de UU was aangesteld van

1 juni 1996 tot 1 december 1996 en nadien van 1 juli 2002 tot 1 juli 2005, moet worden geoordeeld dat de in artikel 3.6, eerste lid, van de CAO NU opgenomen maximale termijn niet is overschreden. Die termijn is evenmin overschreden tijdens het dienstverband bij de NWO.


4.3. Dat de aanstelling van de NWO is gebruikt om te voorkomen dat appellant voor onbepaalde tijd zou moeten worden aangesteld acht de Raad geenszins aannemelijk geworden. Appellant is reeds na een tijdelijk dienstverband bij de UU van een half jaar in dienst getreden bij de NWO, op een moment waarop de maximale termijn van 6 jaar bij lange na nog niet was bereikt, nog daargelaten dat de CAO NU met de onder 4.1. aangehaalde artikelen toen nog niet gold.

Uit de aanstellingsbrief bij de NWO blijkt dat appellant daar in dienst kon treden omdat ten behoeve van een speciaal project subsidie was verleend. Aan dat dienstverband is een einde gekomen toen de subsidie werd beëindigd. Appellant is toen wederom bij de UU in dienst getreden, omdat daar - door het winnen van een prijs - opnieuw geld beschikbaar was gekomen. Gelijk de rechtbank heeft overwogen is de reden voor de verschillende aanstellingen gelegen in het feit dat het onderzoek naar ijs en klimaat steeds voor bepaalde periodes via verschillende geldstromen werd gefinancierd. Van ontduiking van de wettelijke bepalingen is dan ook naar het oordeel van de Raad geen sprake.


4.4. Voor zover appellant een parallel heeft getrokken met artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek en de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot uitzendconstructies heeft het college er naar het oordeel van de Raad terecht op gewezen dat de tekst van artikel 3.8, vierde lid, van de CAO NU expliciet bepaalt dat sprake moet zijn van één en dezelfde werkgever, zodat bedoelde vergelijking niet op gaat.


4.5. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) O.C. Boute.


HD

14.12.2006