Centrale Raad van Beroep, 14-02-2008 / 06-3093 CSV


ECLI:NL:CRVB:2008:BC4930

Inhoudsindicatie
Cafetariasysteem. Berekening vakantietoeslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-02-14
Publicatiedatum
2008-02-26
Zaaknummer
06-3093 CSV
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

06/3093 CSV


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2006, 05/2335 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene]


en


appellant.


Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007. Daartoe ambtshalve opgeroepen heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door haar medewerkers [S.] en [v. Z.].


II. OVERWEGINGEN


Betrokkene hanteert een zogenaamd cafetariasysteem. Zij biedt haar werknemers de mogelijkheid om een fiets aan te schaffen of om deel te nemen aan een premiespaarregeling tegen inlevering van een deel van het brutoloon.


Tijdens een op 5 mei 2004 gehouden looncontrole heeft een looninspecteur geconstateerd dat het cafetariasysteem van betrokkene niet voldoet aan alle voorwaarden die appellant in het door hem ter zake gevoerde beleid heeft gesteld. Eén van de voorwaarden is dat een verlaging van het brutoloon dient door te werken in een lagere grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag. Geconstateerd is dat aan deze voorwaarde in de jaren 2000 tot en met 2003 niet werd voldaan. Op grond hiervan heeft appellant betrokkene over deze jaren correctienota’s, gedateerd 25 maart 2005, doen toekomen.


Bij besluit van 25 mei 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de correctienota’s ongegrond verklaard.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2005 vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en bepaald dat het door betrokkene betaalde griffierecht dient te worden vergoed. Bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiseres, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Blijkens mededeling M 00.028 van 15 maart 2000 hanteert verweerder als beleid dat eigen bijdragen van werknemers in een cafetariasysteem buiten het premieloon worden gelaten, indien wordt voldaan aan een aantal voorwaarden:

- het moet gaan om toekomstige loonelementen (geen reeds genoten loon);

- de contractloonverlaging dient volledig (met alle consequenties, zoals voor dagloon, ziekenfondsloongrens en vakantietoeslag) gerealiseerd te worden;

- de verschuldigde bijdrage of de verstrekking is uitgezonderd ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) of daaruit voortvloeiende regelgeving; en

- de regeling mag niet ingaan tegen dwingendrechtelijk voorgeschreven regels (zoals Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag).

Zoals onder meer naar voren komt uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 september 2003 (BNB 2003,94), waaraan verweerder zich heeft gecommitteerd, vormt de crux van dit beleid dat een cafetariasysteem voldoende realiteitsgehalte dient te hebben, met andere woorden dat het offer dat de werknemer op grond van deze regeling geacht wordt te brengen in ruil voor een fiscaal gefaciliteerd voordeel, ook werkelijk wordt gebracht en dat de werknemer zich daarvan bewust dient te zijn. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

Eiseres heeft aangevoerd dat op grond van de toepasselijke CAO het vakantiegeld niet maandelijks wordt opgebouwd, maar is gebaseerd op het salaris van de maand mei. In de software van het toenmalige salarisverwerkingsbureau was niet voorzien in een eventuele verlaging van de grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag in verband met de deelname aan de premiespaarregeling of het fietsenplan. Uit navraag bleek dat dit binnen het systeem van het salarisverwerkingsbureau softwaretechnisch niet te realiseren was. Eiseres benadrukt dat het haar nooit is opgevallen dat het vakantiegeld te hoog was aangezien het om een gering bedrag ging (namelijk

€ 25 netto per jaar per werknemer en dat dit in de maand mei minder dan 1% van de totale uitbetaling vormt) en dat het nooit de bedoeling is geweest haar werknemers extra voordeel te verschaffen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze stellingen het volgende.

Vast staat dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de verlaging van het brutoloon dient door te werken in een lagere grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag. Dit betekent evenwel nog niet dat het cafetariasysteem, zoals dat door verweerder wordt gehanteerd, realiteitswaarde ontbeert en om die reden met het beleid van verweerder in strijd is. Met name wijst de rechtbank hierbij op de stelling van eiseres in de reactie van 25 oktober 2004 op het looncontrolerapport aan verweerder, inhoudende dat de lagere grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag wel schriftelijk met haar werknemers is overeengekomen. Verweerder heeft deze stelling in de loop van het geding niet betwist. Ook heeft eiseres er in de brief van 25 oktober 2004 op gewezen dat de grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag inmiddels wel was verlaagd. Voorts blijkt uit de gedingstukken niet dat ook de grondslag voor andere loonbestanddelen niet is verlaagd. De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook niet uitgesloten dat bij de salarisverwerking en de premieloonvaststelling abusievelijk de grondslag voor de berekening van de vakantietoeslag niet is verlaagd en dat sprake is van een soortgelijk geval als in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 oktober 1999 (RSV 2000,12), waarin de CRvB het cafetariasysteem van de betrokken werkgevers op vergelijkbare gronden acceptabel achtte. Dat het in die uitspraak ging om de verstrekking van een ander vrijgesteld loonelement in ruil voor verlaging van het brutoloon, namelijk een forfaitaire reiskostenvergoeding, betekent niet dat die uitspraak voor het onderhavige geval niet relevant is.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders standpunt dat het cafetariasysteem van eiseres niet aan zijn beleid voldoet en dat, daaruit voortvloeiend, de eigen bijdrage van de werknemers van eiseres in het kader van het cafetariasysteem tot het premieloon moet worden gerekend, onvoldoende is gemotiveerd.”


Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld, inhoudende dat, nu de verlaging van het brutoloon geen doorwerking heeft gekregen in de andere - op het brutoloon gebaseerde - looncomponenten, zoals de grondslag voor de vakantietoeslag, er niet kan worden gesproken van een reële verlaging van het brutoloon, overweegt de Raad allereerst dat hij in zijn algemeenheid deze stelling onderschrijft. Echter, in het geval van betrokkene moet worden geconstateerd dat dit zich alleen heeft voorgedaan bij de berekening van de vakantietoeslag. Daarbij komt dat, zoals al in eerste aanleg al door betrokkene is aangevoerd en door het Uwv niet is bestreden, op grond van de toepasselijke CAO de vakantietoeslag niet wordt opgebouwd, doch is gerelateerd aan het in mei genoten salaris. Naar ter zitting door betrokkene is uiteengezet heeft dit ook met zich gebracht dat een verlaging van de vakantietoeslag niet aan de orde was in die gevallen waarin een werknemer niet meer deelnam aan haar cafetariasysteem. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat, naar de rechtbank ook heeft overwogen, de loonsverlaging schriftelijk was overeengekomen en de grondslag voor andere looncomponenten wel was verlaagd, is de Raad in dit specifieke geval van oordeel dat er sprake was van een reële loonsverlaging.


Het hoger beroep slaagt derhalve niet. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


De Raad acht tot slot geen tremen aanwezig voor een proceskostenveroordeling



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven van € 433,--.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.


(get.) R.C. Schoemaker.



(get.) R.E. Lysen.



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip loon in de artikelen 4 tot en met 8 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.


GG