Centrale Raad van Beroep, 25-07-2008 / 06-6387 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BD9215

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Geen aanwijzingen voor verdergaande beperkingen. Beperkingen bij eerdere beoordelingen. Geschiktheid van functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-07-25
Publicatiedatum
2008-08-04
Zaaknummer
06-6387 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/6387 WAO







Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K









op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2006, 06/1207 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).




Datum uitspraak: 25 juli 2008




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2008.


Het Uwv heeft onder overlegging van een rapport van 3 januari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst een verweerschrift ingediend. Bij brief van 7 augustus 2007 heeft het Uwv een rapport van 30 juli 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 17 maart 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 10 november 2005 gehandhaafd. Daarbij is per 28 december 2005 de met ingang van 4 januari 2001 aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en tevens op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. Het ingestelde beroep is ongegrond verklaard.


3.1. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat de kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (kFML) een andere naam vermeldt dan die van de verzekeringsarts A. Sahebali die het medisch onderzoek heeft verricht. Het staat daarom niet vast dat deze kFML behoort bij het door de arts Sahebali opgestelde rapport.


3.2. Die grief verwerpt de Raad, nu de naam van de verzekeringsarts Sahebali op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 19 juli 2005 is vermeld. De overigens ook door het Uwv niet te verklaren omstandigheid dat de kritische FML van die datum een andere naam vermeldt doet daar niet aan af. Beide stukken zijn waar het betreft de beperkingen in de functionele mogelijkheden van appellant identiek.


3.3. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep aanvoert met betrekking tot zijn pijnklachten acht de Raad voldoende besproken in het rapport van 3 januari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts Hulst. Daaraan ontleent de Raad in ieder geval geen aanwijzingen dat verdergaande beperkingen als gevolg hiervan door de verzekeringsarts hadden moeten worden aanvaard.


3.4. In de brief van 2 juni 2008 is van de zijde van appellant aangevoerd niet te begrijpen waarom er geen beperking is aanvaard op buigen en wel op buigen tijdens het werk. Dienaangaande is ter zitting erop gewezen dat bij het item buigen (4.10) de buigingshoek wordt aangegeven en in item 4.11 de frequentie. De Raad heeft geen aanwijzing dat deze uitleg voor onjuist moet worden gehouden.


3.5. De enkele omstandigheid dat bij een eerdere beoordeling appellant beperkt werd geacht tot 5 kg tillen, duwen of trekken en thans in staat wordt geacht tot 10 kg houdt op zichzelf niet in dat sprake is van een onjuiste inschatting van appellants functionele mogelijkheden. Tot een extra motivering acht de Raad, anders dan appellant heeft aangevoerd, het Uwv niet gehouden. Dit zou anders kunnen zijn als uit de voorliggende gegevens twijfel rijst met betrekking tot de juistheid van die aanname. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval.


3.6. Voorts heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte geen beperking voor reiken in de FML is opgenomen en dat dat temeer klemt, nu er sterk repetitieve werkzaamheden zijn geduid. Dienaangaande overweegt de Raad dat het hem niet is ontgaan dat bij een eerdere beoordeling wel een beperking van het reiken tijdens het werk is aanvaard, te weten frequent reiken tijdens maximaal een uur per werkdag. Ook hier geldt in de eerste plaats weer hetzelfde als in de voorgaande rechtsoverweging is gesteld. Aan de Raad is voorts niet kunnen blijken dat een zodanige beperking door de objectief medische gegevens wordt gedragen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts Hulst in zijn rapport van 3 januari 2007 heeft vermeld dat de verzekeringsarts een duidelijk verbeterde mobiliteit van de halswervelkolom vond en dat er geen aanwijzingen zijn voor een verklarende stoornis.


3.7. Ten aanzien van de geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies is de Raad van oordeel dat eerst in hoger beroep met het rapport van 30 juli 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot een afdoende motivering is gegeven.


4. In verband hiermee zal de Raad het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.


5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


6. Voor vergoeding van de door appellant gevraagde kosten in bezwaar ziet de Raad geen aanleiding, nu het primaire besluit van 10 november 2005 niet wordt herroepen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen daarvan in stand;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008.




(get.) D.J. van der Vos.




(get.) M.W.A. Schimmel.





CB