Centrale Raad van Beroep, 08-08-2008 / 05-4498 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BD9838

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Passendheid van de geduide functies. Deskundige: thans geen objectieve symptomen van een posttraumatische dystrofie; informatie over in het verleden gebruikte anesthesiologische technieken hebben geen invloed op de essentie van de vraagstelling en de antwoorden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-08-08
Publicatiedatum
2008-08-14
Zaaknummer
05-4498 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/4498 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2005, 04/4693 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 8 augustus 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Mr. M. Blom, werkzaam bij FNV Bondgenoten, heeft zich op 26 september 2005 als opvolgend gemachtigde gesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 7 november 2005 een aanvulling hierop gegeven. Vervolgens heeft het Uwv op 2 juli 2007 de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van 28 juni 2007 ingezonden en tevens de arbeidsmogelijkhedenlijst en het resultaat functiebeoordeling.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2007. Namens appellant is verschenen mr. Blom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Schravesande.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


De Raad heeft de revalidatiearts prof. dr. H.J. Stam benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Van dit onderzoek heeft de deskundige op 6 maart 2008 verslag uitgebracht. Hierop heeft appellant op 19 maart 2008 gereageerd en het Uwv heeft op 27 maart 2008 gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 27 juni 2008. Namens appellant is verschenen mr. Blom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was werkzaam als machinist graafmachine toen hij zich op 5 juni 2001 arbeidsongeschikt meldde ten gevolge van klachten aan het linkerbeen en posttraumatische dystrofie. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 23 mei 2002 met ingang van 4 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. De verzekeringsarts T.E. Jacobs-van der Spek heeft op 11 november 2003 gerapporteerd. In dit rapport zijn onder andere de linkerbeen- en psychische klachten en, naar aanleiding van haar onderzoek, de beperkingen op het dynamische en mentale vlak van appellant beschreven. Jacobs-van der Spek heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 maart 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige

H. Hoekstra blijkens een rapport van 25 maart 2004 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 28,2%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2004 met ingang van 27 mei 2004 de WAO-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


2. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg in een rapport van 16 september 2004 aangegeven dat hij enige nadere beperking op psychomentaal vlak aannemelijk acht. Momberg heeft geconcludeerd dat er geen grote wijzigingen zijn ten opzichte van de conclusies van de primaire verzekeringsarts maar wel ten aanzien van het invullen van de FML. Zij heeft een nieuwe FML opgesteld, gedateerd 16 september 2004. De bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen heeft in een rapport van 1 oktober 2004 de geduide functies nader besproken naar aanleiding van de nieuwe FML en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2004 bij zijn besluit van 12 oktober 2004 ongegrond.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef - kort gezegd - de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.


4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in essentie dezelfde grieven als in bezwaar en in eerste aanleg naar voren gebracht. Het standpunt van appellant komt er op neer dat de FML onvoldoende beperkingen bevat.


5. De Raad overweegt het volgende.


6.1. De door de Raad ingeschakelde deskundige revalidatiearts Stam heeft in zijn rapport van 6 maart 2008 onder andere de beschikbare medische gegevens rond de datum in geding besproken, lichamelijk onderzoek verricht en geconcludeerd dat er thans geen objectieve symptomen van een posttraumatische dystrofie vast te stellen zijn bij lichamelijk onderzoek. Tevens heeft Stam geconcludeerd dat er geen wezenlijk verschil is in de gezondheidstoestand tussen de situatie in 2004 en 2008. Stam onderschreef de FML en achtte appellant in staat om de geduide functies te vervullen.


6.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat in zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met betrekking tot de in zijn reactie op het verslag van de deskundige geformuleerde grief van appellant dat het onzorgvuldig is dat Stam geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend anesthesist overweegt de Raad dat Stam een toelichting heeft gegeven waarom hij het niet noodzakelijk acht om deze informatie op te vragen. Volgens Stam heeft informatie over in het verleden gebruikte anesthesiologische technieken geen invloed op de essentie van de vraagstelling en de antwoorden. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant bevestigd dat indien informatie opgevraagd zou worden, dit niet meer informatie zal opleveren dan al in het dossier aanwezig is. De Raad is dan ook van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest.


6.3. De Raad tekent verder aan dat ook de beschikbare medische informatie ten tijde van de datum in geding er niet op wijst dat op dat tijdstip zwaardere beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan in de FML zijn opgenomen en door Stam zijn onderschreven.


6.4. De Raad volgt de deskundige tevens in zijn oordeel dat appellant op de datum in geding geschikt moet worden geacht voor het verrichten van de geduide functies. De Raad stelt vast dat de schatting thans berust op de functies machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), elektronicamonteur (sbc-code 267040) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). Dit oordeel ligt tevens in lijn met het door het Uwv gegeven oordeel over de passendheid van de geduide functies.


7.1. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als door appellant verzocht is in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.


7.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2008.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) M.W.A. Schimmel.


BP