Centrale Raad van Beroep, 05-08-2008 / 04-7324 WAO + 06-5087 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BD9907

Inhoudsindicatie
Uitspraak 1: Besluit is voldoende gemotiveerd. Uitspraak 2: betrokkene heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek tot medewerking aan een vanwege de Raad nader geïnitieerd onderzoek. Dit is geen bevestiging van de ernst van haar ziekte. Vernietiging van uitspraken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-08-05
Publicatiedatum
2008-08-14
Zaaknummer
04-7324 WAO + 06-5087 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/7324 WAO + 06/5087 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op de hoger beroepen van:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),


tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2004, 03/2043 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 24 juli 2006, 05/340 (hierna: aangevallen uitspraak 2)


in de gedingen tussen:


[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


en


appellant.


Datum uitspraak: 5 augustus 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft verweerschriften ingediend.


Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst. Betrokkene is niet verschenen.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 8 augustus 2007 aan appellant een vraag gesteld over het medisch onderzoek van betrokkene. Appellant heeft hierop geantwoord bij brief van 10 oktober 2007, met als bijlagen een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 9 oktober 2007, een brief van psychiater W.M.J. Hassing van 1 oktober 2007 en correspondentie van betrokkene.


Betrokkene heeft de Raad brieven gezonden, door de Raad ontvangen op 3 januari en op 22 januari 2008.


Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft wederom plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.J.A. Clerx. Betrokkene is niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden op de situatie van betrokkene. Bij brief van 3 april 2008 heeft appellant een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 2 april 2008 ingezonden.


Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft andermaal plaatsgevonden op 24 juni 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. Betrokkene is niet verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. Betrokkene, voorheen werkzaam als boekhoudster, heeft zich op 15 juni 2001, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft appellant haar met ingang van 14 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 maart 2003 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat (de bezwaarverzekeringsarts van) appellant het rapport van 30 december 2002 van de behandelend psychiater van betrokkene, D. Balraadjsing, niet gemotiveerd heeft beoordeeld, terwijl uit dit rapport lijkt te volgen dat de situatie van betrokkene anders was dan ten tijde van het rapport van deze psychiater van 28 september 2001.


4. In hoger beroep is door appellant aangevoerd, zulks onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2004, dat beide rapporten van psychiater Balraadjsing wat betreft anamnese, klachten en beperkingen niet verschillen en dat bij de heroverweging in bezwaar het rapport van Balraadjsing wel inhoudelijk is beoordeeld. Betrokkene heeft zich in haar verweer, kort gezegd, achter de aangevallen uitspraak 1 gesteld.


5. In het kader van een eerstejaars herbeoordeling heeft appellant, na kennis genomen te hebben van een rapport van psychiater Balraadjsing van 19 maart 2004, bij besluit van

14 juli 2004 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van betrokkene ingaande 29 maart 2004 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


6. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 januari 2005 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.


7. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat appellant naar aanleiding van de bevinding van de behandelend psychiater Balraadjsing, dat betrokkene rust nodig heeft in verband met haar ernstige pathologie, nader onderzoek had moeten (laten) doen, terwijl in het gedrag van betrokkene, voor zover zij onder meer niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en ondanks een oproep niet is verschenen ter zitting van de rechtbank, een bevestiging van de ernst van haar ziekte moet worden gezien.


8. In hoger beroep is door appellant, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2006, aangevoerd dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden, waarbij de primaire verzekeringsarts ten aanzien van betrokkene een psychiatrisch onderzoek heeft uitgevoerd en informatie heeft opgevraagd bij de behandelaar van betrokkene.


9. De Raad overweegt het volgende.


9.1. De beoordeling van de aangevallen uitspraak 1.

De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts van appellant ten behoeve van de heroverweging in bezwaar kennis heeft genomen van de rapporten van de behandelend psychiater van betrokkene, Balraadjsing, van 28 september 2001 en 30 december 2002. De bezwaarverzekeringsarts heeft de inhoud van deze rapporten gewogen en mede afgezet tegen de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts. Daarbij is de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel gekomen dat met de door betrokkene geclaimde klachten en beperkingen in voldoende mate is rekening gehouden bij het vaststellen van het belastbaarheidspatroon voor betrokkene.


9.2. De Raad is van oordeel dat van deze beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts van appellant niet kan worden gezegd dat daarin onvoldoende aandacht is besteed aan het rapport van Balraadjsing van 30 december 2002, zowel op zichzelf als in samenhang met het rapport van Balraadjsing van 28 september 2001. De Raad ziet mitsdien, anders dan de rechtbank, in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van appellant geen grond om het bestreden besluit 1 onvoldoende gemotiveerd te achten. De Raad heeft hier laten meewegen dat, zoals appellant in hoger beroep terecht heeft aangevoerd, bij de uiteindelijke verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet zozeer de (bewoordingen van de) gestelde diagnose(n) van belang zijn, doch de beperkingen die bij een verzekerde, mede in het licht van de informatie uit de anamnese, de geuite klachten en de dagelijkse activiteiten, kunnen worden vastgesteld.


9.3. De grief slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt.


9.4. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit 1 beoordelen aan de hand van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde gronden. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door appellant is aangenomen. Zij acht zich niet geschikt om te werken. Zij heeft daartoe verwezen naar het rapport van Balraadjsing van 30 december 2002, die betrokkene niet geschikt acht voor reguliere arbeid. In het licht van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen over de beoordeling door appellant van het rapport van Balraadjsing kan deze beroepsgrond niet slagen. De Raad tekent hierbij aan dat de beoordeling van de vraag in hoeverre een verzekerde in staat is tot het verrichten van arbeid in beginsel niet tot de competentie van de behandelend psychiater behoort, maar tot die van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van appellant. Overigens zijn door betrokkene in beroep geen medische stukken in geding gebracht die zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. Daarvan uitgaande ziet de Raad geen grond om te oordelen dat betrokkene op de in geding zijnde datum niet in staat zou zijn geweest de haar voorgehouden functies te vervullen. Het beroep moet mitsdien ongegrond worden geacht.


9.5. De beoordeling van de aangevallen uitspraak 2.

De Raad stelt vast dat de primaire verzekeringsarts van appellant betrokkene heeft onderzocht tijdens een spreekuur en meer in het bijzonder onderzoek heeft gedaan naar de psychische gesteldheid van betrokkene. Vervolgens heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater van betrokkene, Balraadjsing, die op 19 maart 2004 heeft gerapporteerd. In bezwaar is diens rapport andermaal in de afweging betrokken. Dit heeft, in het licht van de resterende activiteiten van betrokkene en de bevindingen bij onderzoek, tot de beoordeling geleid dat de door betrokkene geclaimde meerdere beperkingen niet objectiveerbaar zijn. Naar aanleiding van het rapport van Balraadjsing, waarin deze aangeeft dat betrokkene in verband met haar pathologie rust nodig heeft, had het op de weg gelegen van appellant nadere informatie in te winnen bij de behandelend psychiater dan wel door middel van externe consultatie. Gegeven echter het onderzoek zoals dat door appellant is uitgevoerd, waarbij alle over betrokkene beschikbare informatie in de afweging is betrokken en gelet op het feit dat betrokkene niet heeft willen meewerken aan een onderzoek door de rechtbank en niet heeft gereageerd op de oproep om ter zitting van de rechtbank te verschijnen, kan naar het oordeel van de Raad evenwel niet worden gezegd dat dit gebrek zodanig is dat dit tot het oordeel moet leiden dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.


9.6. De Raad stelt vast dat ook in hoger beroep betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan een verzoek tot medewerking aan een vanwege de Raad nader geïnitieerd onderzoek. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in deze opstelling van betrokkene niet zonder meer een bevestiging kan worden gezien van de ernst van haar ziekte, omdat het niet mogelijk is gebleken om vast te stellen wat de redenen waren voor deze opstelling.


9.7. Gelet op het bovenstaande slaagt de grief van appellant, zodat ook de aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt.


9.8. Nu de door betrokkene in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, onder verwijzing naar de rapporten van Balraadjsing, in wezen inhouden dat zij meer beperkt moet worden geacht dan door appellant is aangenomen, is de Raad, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat deze gronden geen doel treffen. Door betrokkene zijn in beroep geen medische stukken in geding gebracht die zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. Daarvan uitgaande ziet de Raad geen grond om te oordelen dat betrokkene op de in geding zijnde datum niet in staat zou zijn geweest de haar voorgehouden functies te vervullen. Het beroep moet mitsdien ongegrond worden geacht.


10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2008.


(get.) H. Bolt.


(get.) I.R.A. van Raaij.


TM