Centrale Raad van Beroep, 29-08-2008 / 06-3955 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BE9497

Inhoudsindicatie
Korting op WAO-uitkering met terugwerkende kracht, wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Wijzigingen in inkomsten onmiddellijk melden. Juiste vaststelling teruggevorderde bedrag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-08-29
Publicatiedatum
2008-09-02
Zaaknummer
06-3955 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/3955 WAO


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juni 2006, 06/368

(hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 29 augustus 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant is sedert 1 november 1989 in het genot van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.


1.2 Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44 van de WAO bepaald dat de uitkering van appellant, in verband met door appellant verkregen inkomsten uit arbeid, vanaf 14 juni 2004 tot 1 maart 2005 tot uitbetaling komt als ware appellant 15 tot 25% arbeidsongeschikt. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv appellant medegedeeld dat aan hem over de periode van 14 juni 2004 tot en met (lees: tot) 1 maart 2005 een bedrag van € 8.239,22 bruto uitkering onverschuldigd is betaald en dat dit bedrag van hem wordt teruggevorderd. Voorts is in dit besluit vermeld dat het bedrag dat appellant daadwerkelijk moet terugbetalen in de bij dat besluit gevoegde terugvorderingsspecificatie is vermeld. In deze specificatie is onder vermelding van redenen aangegeven dat appellant – mits hij in het kalenderjaar 2005 betaalt – met betaling van een bedrag van € 6.904,76 kan volstaan.


1.3. De tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaren heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2005 ongegrond verklaard.


1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 december 2005 ongegrond verklaard.


2. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv hem er ten onrechte nooit op heeft gewezen dat ook het werken in loondienst gevolgen heeft voor zijn uitkering en dat het Uwv er overigens van op de hoogte was dat hij werkzaamheden verrichtte. Voorts heeft hij aangevoerd dat het Uwv in het verleden steeds het jaarinkomen, dat hij als zelfstandige heeft verdiend, heeft gebruikt om te bezien of er aanleiding was tot korting van zijn uitkering over te gaan. Zijn inkomsten werden onafhankelijk van de periode waarin hij deze verkreeg aan het gehele jaar toegerekend. Naar zijn stelling dient dit ook te gebeuren met de inkomsten die hij heeft verkregen met het werk via het uitzendbureau. Hij heeft erop gewezen dat hij deze werkzaamheden slechts heeft verricht, omdat er tijdelijk geen werk als zelfstandige voorhanden was. Hij acht het onjuist dat deze inkomsten worden toegerekend aan de maand waarin de inkomsten zijn genoten.

Appellant acht de terugvordering dan ook onjuist.


3. De Raad overweegt als volgt.


3.1.1. Volgens vaste rechtspraak kan met terugwerkende kracht een korting als in geding worden toegepast indien appellant redelijkerwijze kan worden geacht kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald, dan wel indien het ongewijzigd voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door appellant, terwijl het Uwv een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien het destijds de juiste feiten had gekend.


3.1.2. Appellant gaf jaarlijks zijn inkomsten op die hij als zelfstandige heeft verkregen. Op basis van deze inkomsten werd door het Uwv jaarlijks bezien of er aanleiding bestond toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Blijkens het besluit van 3 november 2003 heeft bijvoorbeeld toepassing van artikel 44 van de WAO plaatsgevonden over het jaar 2002. Dat inkomsten van invloed kunnen zijn op het bedrag dat van de uitkering wordt uitbetaald moet appellant dan ook duidelijk zijn.Voorts kan niet uit het oog worden verloren dat appellant er onder meer bij brief van 27 mei 2003 op is gewezen dat hij wettelijk verplicht is het Uwv te informeren over veranderingen in zijn omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht en de hoogte van zijn uitkering.


3.1.3. Voor appellant had zonder meer duidelijk moeten zijn dat het verkrijgen van aanzienlijke andere inkomsten dan in verband met werkzaamheden als zelfstandige een wijziging is die appellant onmiddellijk aan het Uwv had dienen te melden. Dat appellant deze werkzaamheden naar zijn stelling heeft verricht omdat geen werk als zelfstandige voorhanden was maakt dit niet anders


3.1.4. Naar het oordeel van de Raad doet zich gelet op het vorenstaande in dit geval een situatie voor waarin met terugwerkende kracht een korting kon worden toegepast. Hieraan kan niet afdoen dat de werkgever van appellant – in het kader van de vaststelling van de verzekeringsplicht – aan het Uwv heeft gemeld dat appellant werkzaamheden verrichtte. Deze in het kader van de vaststelling van de verzekeringsplicht gedane melding ontslaat appellant niet van zijn informatieplicht. Uit deze melding is overigens ook niet op te maken welke inkomsten appellant heeft verworven.


3.1.5. Het standpunt van appellant dat zijn inkomsten dienen te worden toegerekend aan het gehele jaar is niet juist. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 44 van de WAO in beginsel op dezelfde wijze te geschieden als de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van de WAO. Dit betekent dat een vergelijking – zoals in dit geval ook is geschied - moet plaatsvinden van enerzijds het voor appellant geldende maatmanloon per maand en anderzijds de door hem feitelijk per maand genoten inkomsten. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 21 januari 2000, 97/9590 WAO (RSV 2000/62). De omstandigheid dat in eerdere jaren de inkomsten van appellant als zelfstandige per jaar als één geheel werden bezien maakt dit niet anders. De inkomsten van een zelfstandige kunnen immers als regel eerst na afloop van het betreffende boekjaar definitief worden vastgesteld en worden ook lang niet altijd genoten in dezelfde maand als waarin de daarvoor verrichte werkzaamheden zijn verricht.


3.1.6. De grief van appellant dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten – zoals die van vervoer - die hij heeft moeten maken treft evenmin doel. In de in rechtsoverweging 3.1.5 bedoelde systematiek is voor het meenemen van zulke kosten geen plaats.


3.2.1. Artikel 57, eerste lid, van de WAO schrijft, voor zover hier van belang, voor dat al hetgeen door het Uwv onverschuldigd is betaald dient te worden teruggevorderd.


3.2.2. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen enkel aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag van terugvordering onjuist is. In de terugvorderingsspecificatie als bedoeld in rechtsoverweging 1.2 heeft het Uwv op juiste wijze uiteengezet waarom appellant een lager bedrag dient terug te betalen dan het in het in het besluit genoemde brutobedrag. Tevens is in deze specificatie aangegeven waardoor het verschil in het netto- en brutobedrag wordt veroorzaakt.


3.2.3. De terugvordering is mitsdien in overeenstemming met de wet.


3.3. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2008.



(get.) C.W.J. Schoor.



(get.) M.C.T.M. Sonderegger.



JL