Centrale Raad van Beroep, 30-09-2008 / 06-7032 WWB


ECLI:NL:CRVB:2008:BF7589

Inhoudsindicatie
Verzwegen middelen. Bankrekeningen. Geen begin van bewijs geleverd voor de juistheid van de stelling dat rekening behoort aan zoon. Te veel vermogen resp. recht op bijstand niet vast te stellen. Beroep op rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet bij schending inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-09-30
Publicatiedatum
2008-10-10
Zaaknummer
06-7032 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/7032 WWB







Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K









op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 november 2006, 06/1591, (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)








Datum uitspraak: 30 september 2008




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.L.E. Storm van ’s Gravesande, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Stuiver, advocaat te Veenendaal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, werkzaam bij de gemeente Ede.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreider overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1. Appellante heeft van 1975 tot en met 31 juli 2002 algemene bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Tevens is haar - ook na juli 2002 - bijzondere bijstand en categoriale bijzondere bijstand verleend. Met ingang van augustus 2002 ontvangt appellante ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.


1.2. Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellante beschikt over een niet opgegeven bankrekening, heeft het College nader onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft appellante de afschriften verstrekt van een op haar naam staande spaarrekening, alsmede van een op haar naam staande privé-rekening, die geen van beide bij het College bekend waren. Bij besluit van 24 maart 2005, zoals gecorrigeerd bij brief van 29 maart 2005, heeft het College op basis van de uitkomsten van het onderzoek de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997 ingetrokken en over 1998 en 1999 herzien op de grond dat het vermogen van appellante vanaf 1 juli 1997 de voor haar geldende vermogensgrens overschreed. Voorts is de bijstand van appellante vanaf 1 april 2000 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tevens heeft het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 2004 tot een bedrag van € 37.287,14 van appellante teruggevorderd.


1.3. Bij besluit van 2 februari 2006 is het tegen het besluit van 24 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het tegen het besluit van 2 februari 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 22 juli 1997 is gehandhaafd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven.

De rechtbank heeft - kort gezegd - geoordeeld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij aan het College geen mededeling heeft gedaan van de op haar naam staande bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank vormde het tegoed van beide bankrekeningen een bestanddeel van het vermogen van appellante, terwijl van in aanmerking te nemen schulden niet is gebleken. Omdat van enige vóór 22 juli 1997 verrichte stortingen op de spaarrekening de herkomst niet duidelijk was, heeft de rechtbank geoordeeld dat over de periode van 1 tot 22 juli 1997 het recht op bijstand van appellant niet is vast te stellen, terwijl appellante vanaf 22 juli 1997 over een vermogen boven de voor haar toepasselijke vermogensgrens beschikte, zodat zij met ingang van die datum geen recht op bijstand meer had. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met het standpunt van het College dat, gezien de regelmaat, de frequentie en de hoogte van de stortingen op de privé-rekening, in de periode van 1 april 2000 tot en met 31 juli 2002 sprake moet zijn geweest van een verzwegen bron van inkomsten uit arbeid of daarmee vergelijkbare inkomsten, zodat het recht op bijstand over de periode na 1 april 2000 niet kan worden vastgesteld.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft evenals in bezwaar en beroep betoogd dat de spaarrekening abusievelijk op haar naam is gesteld maar in feite toebehoort aan haar in het Verenigd Koninkrijk wonende zoon. De privé-rekening zou eveneens van bedoelde zoon zijn en in hoofdzaak door hem worden gebruikt bij verblijf in Nederland voor uitgaven van hemzelf en ten behoeve van zijn twee onder curatele staande, in een inrichting wonende broers. Voorts heeft appellante herhaald dat sprake was van schulden. Ter zitting van de Raad is verder gesteld dat, gezien de mutaties op de spaarrekening en de saldi op die rekening vanaf 1 juli 1997, geen sprake is geweest van overschrijding van de geldende vermogensgrens vanaf 1 juli 1997 en in de jaren 1998 en 1999. Vanaf 1 april 2000 zou tenslotte geen sprake zijn geweest van inkomsten uit arbeid of van andere inkomsten.


4. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. Hij heeft te dien aanzien het volgende overwogen.


4.1. Vast staat dat appellante in december 1996 een spaarrekening met het nummer [nr. spaarrekening] heeft geopend alsmede in mei 2000 een privé-rekening met het nummer [nr. privé-rekening].

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken en dat het aan de betrokkene is om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. De Raad stelt vast dat appellante niet aan de hand van objectieve gegevens zelfs maar een begin van bewijs heeft geleverd voor de juistheid van haar stelling dat de spaarrekening van haar in het Verenigd Koninkrijk wonende zoon is. Voor zover de herkomst van de op die rekening gestorte bedragen duidelijk is, zijn ze van appellante afkomstig. Evenmin kan de stelling van appellante dat de privé-rekening in hoofdzaak door haar in het Verenigd Koninkrijk wonende zoon werd gebruik wanneer hij in Nederland was voor betalingen van hemzelf of ten behoeve van zijn beide in inrichtingen verblijvende broers, als juist worden aanvaard. Uit de afschriften van de privé-rekening blijkt immers dat daarvan vrijwel dagelijks betalingen werden verricht voor dagelijkse uitgaven bij bijvoorbeeld supermarkten en drogisterijen. Tevens blijkt uit die afschriften dat daarvan ook betalingen werden gedaan in damesmodezaken en dameskapsalons.


4.2. Voorts heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat niet is gebleken van in aanmerking te nemen schulden van appellante. Schulden kunnen immers volgens vaste rechtspraak van de Raad uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan die schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden. Naar het oordeel van de Raad is het feitelijke bestaan van schulden van appellante al niet aannemelijk gemaakt. Het is de Raad in dit verband opgevallen dat niet alleen [S.-G.] in een brief melding maakt van een lening in 2002 in verband met een kapotte verwarming maar dat ook de broer van appellant, [naam broer], gewag maakt van een in 2002 geplaatste HR-ketel.


4.3. Blijkens de stukken is het vermogen van appellante op 25 juli 1996 op fl. 1.340,77 vastgesteld. De vermogensgrens als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder a, van de Abw bedroeg in 1996 fl. 9.300,--, zodat het voor verdere vrijlating beschikbare vermogen fl. 7.959,23 bedroeg. Na de opening van de spaarrekening in december 1996, waarbij een bedrag van fl. 500,-- werd gestort, hebben er in 1997 nog stortingen plaatsgevonden tot een totaalbedrag van fl. 18.123,21. Nu is vastgesteld dat appellante nog maximaal fl. 7.959,23 aan vermogen mocht opbouwen, is in elk geval met ingang van 22 juli 1997 de vermogensgrens overschreden. Aangezien er, zoals onder 4.2 is vastgesteld, ten tijde van belang geen sprake was van in aanmerking te nemen schulden en er in het onderhavige geval geen reden is om het vermogen opnieuw vast te stellen, kan niet anders worden geoordeeld dan dat het College bevoegd was de bijstand van appellante over 1997 in te trekken.


4.4. De Raad constateert met het College en de rechtbank dat, nadat appellante van de spaarrekening op 29 februari 2000 een bedrag van fl. 500,-- had opgenomen in verband met volgens een aantekening op het betreffende afschrift (de aanschaf van) kokskleding, in april 2000 op die rekening fl. 1.750,-- is gestort, terwijl op de in mei 2000 geopende privé-rekening sedertdien regelmatig kasstortingen van niet onaanzienlijke omvang zijn gedaan. Omdat appellante daarover geen opening van zaken heeft gegeven maar staande heeft gehouden dat de stortingen gelden van haar in het Verenigd Koninkrijk wonende zoon zijn, kan de Raad met de rechtbank en het College niet anders concluderen dan dat het recht op bijstand van appellante ingaande april 2000 niet is vast te stellen, zodat moet worden geoordeeld dat het College bevoegd was de bijstand van appellante ingaande 1 april 2000 in te trekken.


4.5. Uit het onder 4.3 en 4.4 overwogene volgt dat het College ook bevoegd was de aan appellante ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. Het College hanteert de beleidsregel dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking en terugvordering kan worden afgezien. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 24 maart 2005 geldende beleidsregel heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van zijn beleidsregel geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering had moeten afzien.


4.6. De Raad stelt ten slotte vast dat besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand over een in een ver verleden liggende periode niet in strijd met het beginsel van rechtszekerheid kunnen worden geacht indien die besluiten hun basis hebben in schending van de inlichtingenverplichting door een betrokkene. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake omdat niet kan worden gezegd dat een besluit tot terugvordering van subsidie of het vaststellen van een fiscale navorderingsaanslag op een lijn te stellen is met een besluit tot terugvordering van bijstand.


4.7. Aangezien de in hoger beroep naar voren gebrachte grieven falen, dient de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten te worden bevestigd.


5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 september 2008.



(get.) A.B.J. van der Ham.



(get.) A. Badermann.





IJ