Centrale Raad van Beroep, 30-09-2008 / 07-3091 WWB


ECLI:NL:CRVB:2008:BF7599

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstand. De onderzoeksbevindingen zijn niet toereikend voor de conclusie dat betrokkene productieve werkzaamheden heeft verricht in die zin dat zij daarvoor (tenminste het minimum)loon had kunnen bedingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-09-30
Publicatiedatum
2008-10-10
Zaaknummer
07-3091 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2008, 284
Uitspraak

07/3091 WWB







Centrale Raad van Beroep



Enkelvoudige kamer



U I T S P R A A K









op het hoger beroep van:


[appellante] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 april 2007, 06/3451 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)







Datum uitspraak: 30 september 2008



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E.H. Visser, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. Nobel, kantoorgenoot van mr. Visser, en haar schoonzoon, [naam schoonzoon appellante], wonende te [R.]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.S. Teunissen, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellante ontving sedert 17 september 1985 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij is in 1991 werkzaamheden als schoonmaakster gaan verrichten, laatstelijk gedurende drie uren per dag. Nadat zij arbeidsongeschikt was geworden, is appellante een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De bijstand van appellante is steeds voortgezet in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid respectievelijk haar arbeidsongeschiktheidsuitkering.


1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante werkzaam zou zijn bij [naam bedrijf], gevestigd aan [het adres] te ’s-Gravenhage, in verband daarmee ’s ochtends zou worden opgehaald en ’s avonds rond 19.00 uur weer zou worden thuisgebracht en de werkgever regelmatig bij appellante zou overnachten, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties verricht en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 oktober 2005.


1.3. Het College heeft naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek bij besluit van 25 oktober 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2005 beëindigd (lees: ingetrokken).


1.4. Bij besluit van 9 november 2005 heeft het College voorts de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 30 september 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 17.868,92 van appellante teruggevorderd.


1.5. Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 25 oktober 2005 en 9 november 2005 ongegrond verklaard. Het College blijft van opvatting dat de bijstand van appellante terecht met ingang van 1 oktober 2005 is ingetrokken omdat zij voor de door haar verrichte productieve arbeid geacht wordt een beloning van tenminste het minimumloon te kunnen ontvangen. Voorts is het College van mening dat de bijstand over de periode van 1 december 2001 tot en met 30 september 2005 kon worden ingetrokken en teruggevorderd omdat, doordat appellante geen mededeling heeft gedaan van de door haar verrichte werkzaamheden, het recht op bijstand over de vermelde periode niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

9 maart 2006 ongegrond verklaard.


3. Appellante geeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. De Raad stelt vast dat de aan appellante toegekende bijstand ingevolge de primaire besluiten van 25 oktober 2005 en 9 november 2005 met ingang van 1 december 2001 is ingetrokken en dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens de rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 december 2001 tot en met 25 oktober 2005.


4.2. Uit de stukken blijkt dat aan [het adres] te ’s-Gravenhage twee ondernemingen zijn gevestigd met de namen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1], dat die bedrijven bemiddelen in de huur en verhuur van onroerende zaken respectievelijk koeriersdiensten verrichten en dat binnen de bedrijven één persoon werkzaam is, te weten de ondernemer [naam ondernemer] (hierna: [naam ondernemer]). Uit de stukken valt voorts af te leiden dat de ondernemingen gevestigd zijn op de begane grond en dat de bedrijfsruimte bestaat uit een kantoorruimte, een links daarachter gelegen kamertje, een woonkamer, een keuken en een slaapkamer.


4.3. Appellante heeft op 7 oktober 2005 tijdens haar verhoor door de sociaal rechercheurs onder meer verklaard dat zij sedert ongeveer december 2001 met [naam ondernemer] een buitenechtelijke affectieve relatie heeft, dagelijks door [naam ondernemer] omstreeks 08.00 uur thuis wordt opgehaald, het grootste gedeelte van de dag in diens bedrijf aanwezig is, daar ook wel kookt en samen met [naam ondernemer] eet, daar dezelfde huishoudelijke handelingen verricht als thuis, maar er niet de schoonmaak en dat soort dingen doet. [naam ondernemer] komt, volgens de verklaring van appellante, na het werk door de week dagelijks bij haar thuis, waar hij tot laat blijft, terwijl hij in de weekeinden ook op de zaterdagen in haar woning verblijft.


4.4. In de periode van 15 september 2005 tot en met 6 oktober 2005 hebben sociaal rechercheurs elf observaties bij het pand aan [het adres] verricht, waarbij appellante acht keer is aangetroffen. Zij was drie maal in de keuken bezig en maakte twee maal respectievelijk een bureau schoon en het kamertje links achter het kantoor.


4.5. Anders dan het College en de rechtbank acht de Raad de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het rapport van 10 oktober 2005, niet toereikend voor de conclusie dat appellante in de in geding zijnde periode voor [naam ondernemer] productieve werkzaamheden heeft verricht in die zin dat zij daarvoor (tenminste het minimum)loon had kunnen bedingen. De bedrijfsruimte c.a. aan [het adres] is immers beperkt in omvang en [naam ondernemer] is de enige aldaar werkzame persoon. Het is dan onvoldoende aannemelijk dat appellante daar dagelijks vanaf omstreeks 08.00 uur gedurende een normale werkdag op geld waardeerbare arbeid zou verrichten en daarvoor een beloning zou kunnen verlangen. De Raad aanvaardt onder de gegeven omstandigheden als juist de verklaring van appellante, dat zij op grond van haar affectieve relatie met [naam ondernemer] dagelijks met hem naar diens werk gaat en op de werkplek dagelijkse dingen doet als het zetten van koffie, het bereiden van de gezamenlijke lunch en het opruimen van de daarmee samenhangende zaken. Voor het aannemen van productieve, op geld waardeerbaar werk, waarvoor appellante een beloning had kunnen vragen, acht de Raad onvoldoende basis aanwezig.


4.6. De Raad concludeert uit het overwogene onder 4.5 dat het besluit van 9 maart 2006 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 9 maart 2006 vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de besluiten van 25 oktober 2005 en 9 november 2005 te herroepen.


5. Het verzoek van appellante om het College met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking. De schade bestaat uit de niet tijdige uitbetaling van algemene bijstand vanaf 1 oktober 2005. Op de gemeente ’s-Gravenhage rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB wordt de bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. Daarmee is de dag van betaling niet concreet aangeduid. Nu er geen algemeen verbindende voorschriften gelden met betrekking tot de dag waarop de bijstand had moeten zijn betaald, neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. Dit betekent in dit geval dat de eerste dag waarop over de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd dient te worden gesteld op 1 december 2005, over de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering over de daarop volgende maanden telkens een maand later en wel tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.


6. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 10,50 voor vervoerskosten.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 maart 2006;

Herroept de besluiten van 25 oktober 2005 en 9 november 2005;

Veroordeelt de gemeente ’s-Gravenhage tot vergoeding aan appellante van wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is aangegeven;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.942,50, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- voldoet.


Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 september 2008.


(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.


(get.) W. Altenaar.



IJ