Centrale Raad van Beroep, 01-10-2008 / 06-5587 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2008:BF8817

Inhoudsindicatie
Weigering WAZ-uitkering, minder dan 25% arbeidsongeschikt. In rapportages van door rechtbank en Uwv ingeschakelde deskundigen geen aanleiding te vinden voor aannemen van duurbeperking. Andersluidend oordeel van behandelend arts doet daar niet aan af.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-10-01
Publicatiedatum
2008-10-14
Zaaknummer
06-5587 WAZ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/5587 WAZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2006, 04/2425 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 1 oktober 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Jalandoni, kantoorgenoot van mr. Vleugel. Tevens is als tolk verschenen A. el Khabbabi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat appellant na afloop van de wachttijd op en na 12 september 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.


1.2. Bij brief van 29 maart 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 februari 2004. Bij besluit van 27 juli 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 juli 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de door haar benoemde deskundige, de psychiater prof. dr. E. Hoencamp, in een rapportage van december 2005 op de hem gestelde vragen heeft geantwoord dat appellant in staat kan worden geacht de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee op afdoende wijze komen vast te staan dat de belasting in de aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. De rechtbank heeft op grond daarvan geconcludeerd dat het Uwv appellant terecht minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ heeft geacht.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op afdoende wijze is komen vast te staan dat de belasting in de geselecteerde functies zijn belastbaarheid niet te boven gaat. Volgens appellant is in dat verband van belang dat Hoencamp geen antwoord heeft gegeven op de vraag van de rechtbank of een duurbeperking had moeten worden aangenomen. Verder wijst appellant erop dat uit de rapportage van Hoencamp blijkt dat de medische beperkingen van appellant, zoals door het Uwv aangegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), zijn onderschat, zodat het zeer de vraag is of de geselecteerde functies nog langer passend zijn. Appellant meent dat de rechtbank nader op deze vragen had moeten ingaan.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1. De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de door Hoencamp in december 2005 uitgebrachte rapportage. Volgens vaste rechtspraak volgt de Raad in beginsel het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, is de Raad niet gebleken. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie.


4.2. Wat betreft de stelling van appellant dat onduidelijk is gebleven of volgens Hoencamp een duurbeperking had moeten worden aangenomen, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat uit de rapportage van Hoencamp niet kan worden afgeleid dat een dergelijke beperking aan de orde is. Hoencamp vermeldt in zijn rapportage slechts dat hem niet duidelijk is of er sprake is van een duurbeperking. Hoencamp geeft niet aan dat een dergelijke beperking had moet worden aangenomen en uit zijn rapportage blijkt ook niet dat daarvoor een aanleiding is of argumenten bestaan.

De Raad neemt in dit verband in aanmerking dat ook in de overige (medische) gegevens geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het oordeel dat appellant op medische gronden niet in staat is ten minste 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. In de rapportage van de door het Uwv als deskundige geraadpleegde psychiater

drs. J. IJsselstein van 15 juni 2004 wordt een duurbeperking niet genoemd, en de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen heeft in de rapportages van 15 juli 2004 en 1 maart 2006 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom er geen reden is voor het aannemen van een dergelijke beperking. De door appellant in de bezwaar- en beroepsprocedure overgelegde brieven van de behandelend psychiater R.W. Jessurun van 17 juni 2004 en 22 november 2004 zijn geen reden voor een ander oordeel. De mening van Jessurun dat appellant als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt, is niet deugdelijk onderbouwd en overigens van onvoldoende gewicht tegenover de bevindingen van Hoencamp.


4.3. Blijkens zijn rapportage heeft Hoencamp op de daarover gestelde vraag van de rechtbank geantwoord dat appellant geacht moet worden de geduide functies te kunnen uitvoeren. Hoencamp heeft daarbij kennis kunnen nemen van de omschrijving van de belasting die optreedt in die functies. Er is geen grond om aan te nemen dat Hoencamp de door hem aangenomen beperkingen niet heeft betrokken bij zijn beantwoording van de gestelde vraag. De Raad volgt appellant dan ook niet in het standpunt dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de functies geschikt zijn te achten.


4.4. De Raad komt gelet op het voorgaande met de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv appellant terecht minder dan 25% arbeidsongeschikt heeft geacht, zodat ook terecht een WAZ-uitkering aan appellant is geweigerd.


5. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.


6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2008.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) E.M. de Bree.


JL