Centrale Raad van Beroep, 24-10-2008 / 07-4419 WSF


ECLI:NL:CRVB:2008:BG1763

Inhoudsindicatie
Geen boete, maar compensatoire vordering opgelegd ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven. Eerder inleveren van OV-kaart is niet van belang. Meerinkomen in het studiefinancieringstijdvak. Proceskostenveroordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-10-24
Publicatiedatum
2008-10-28
Zaaknummer
07-4419 WSF
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/4419 WSF


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2007, 06/3125 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).


Datum uitspraak: 24 oktober 2008


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2008.

Appellant is verschenen in persoon.

De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Aan appellant is door de IB-Groep studiefinanciering toegekend over het jaar 2003 in de vorm van een OV-studentenkaart.


1.2. Na controles van de neveninkomsten van appellant aan de hand van door de IB-Groep bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft de IB-Groep het toetsingsinkomen van appellant over het studiefinancieringstijdvak 2003 vastgesteld op € 11.797,19. Op grond hiervan heeft de IB-Groep bij besluit van 17 juni 2006 ten laste van appellant een vordering wegens meerinkomen over januari tot en met oktober 2003 vastgesteld van € 629,28.


1.3. Het door appellant tegen deze vordering gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 september 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld - onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad - dat geen sprake is van een OV-boete maar van een compensatoire vordering. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de maand waarin de vrije voet wordt overschreden niet van belang is voor de vaststelling van de vordering en over het gehele jaar kan worden vastgesteld; de IB-Groep heeft daarom terecht de vordering over de maanden januari tot en met oktober 2003 vastgesteld. Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) heeft de rechtbank geoordeeld dat de in artikel 3.17 van die wet neergelegde grens dé grens is en dat er in de wet geen grond is te vinden om met behulp van de hardheidsclausule overschrijdingen van de bijverdiengrens toe te staan. De hardheidsclausule kan er niet toe strekken een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling, indien moet worden aangenomen dat - zoals in dit geval - de onverkorte toepassing van de wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Eerst indien op grond van individuele omstandigheden van (zeer) bijzondere aard de hiervoor genoemde overeenstemming ontbreekt, kan de IB-Groep in redelijkheid gehouden zijn tot toepassing van de hardheidsclausule. Daarvan is in dit geval volgens de rechtbank geen sprake.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangegeven dat wél sprake is van een boete en mitsdien van een ‘punitive charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM); de vordering is onevenredig zwaar in verhouding tot de overtreding. Hij is voorts van mening dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren omdat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is. Naast vergoeding van het griffierecht had de rechtbank ook een proceskostenveroordeling moeten uitspreken. Appellant heeft herhaald dat hij zijn OV-kaart al had ingeleverd voordat hij de bijverdiengrens heeft overschreden, zodat geen vordering had mogen worden opgelegd.


4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot het bestreden besluit bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank ter zake. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.


4.2. De Raad heeft in zijn door de rechtbank genoemde uitspraak van 9 maart 2007 (LJN: BA0440) geoordeeld dat de WSF 2000 niet van boete spreekt. Er wordt ingevolge artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b, slechts een compensatoire vordering opgelegd ter grootte van het bedrag dat de overheid voor de OV-studentenkaart c.q. voor de vervangende reisvoorziening in geld heeft uitgegeven. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel omtrent de OV-vordering: appellant hoeft niet meer te vergoeden dan de OV-kaart de IB-Groep daadwerkelijk kost.


4.3. Dat appellant zijn OV-kaart al zou hebben ingeleverd voordat de bijverdiengrens was overschreden is niet van belang. Artikel 3.17, zevende lid, van de WSF 2000 gaat uit van het meerinkomen in het studiefinancieringstijdvak. Appellant heeft zijn studiefinanciering stopgezet met ingang van 1 november 2003. Het studiefinancieringstijdvak liep dus van januari tot en met oktober 2003. Op grond van zijn inkomen over die periode had hij - achteraf bezien - in het geheel geen recht gehad op een OV-kaart. Appellant heeft tot en met september over een OV-kaart de beschikking gehad en dient dus over 9 maanden daarvoor te betalen.


4.4. Wat betreft de stelling van appellant dat de rechtbank het besluit had moeten vernietigen, overweegt de Raad dat de rechtbank op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd is een besluit - ondanks schending van een vormvoorschrift - in stand te laten indien blijkt dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Nu niet is gesteld of gebleken dat appellant is benadeeld doordat de rechtbank het bestreden besluit niet heeft vernietigd, is er geen reden deze keuze van de rechtbank voor onjuist te houden.


5. De stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, treft doel. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en dat (eerst) in beroep dit gebrek is hersteld. Appellant moest dus in beroep komen voor een volledige motivering van het bestreden besluit en daarom bestaat aanleiding zijn proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb te vergoeden. De aangevallen uitspraak moet op dit punt worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, zelf de proceskostenveroordeling uitspreken. De kosten van appellant worden vergoed op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op grond van artikel 1 van het Besluit komen - voor zover hier van belang - van een partij uitsluitend voor vergoeding in aanmerking reis-, verblijf- en verletkosten, in beroep begroot voor het bijwonen van de zitting op vier uur verletkosten, die door de Raad op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit in redelijkheid worden vastgesteld op € 40,= per uur, alsmede € 12,10 aan reiskosten (retour Amsterdam - Alkmaar 2e klas). In hoger beroep worden de verletkosten eveneens begroot op vier uur

à € 40,= en € 12,10 aan reiskosten (retour Amsterdam - Utrecht 2e klas), in totaal dus € 344,20.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 344,20, te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,= aan hem vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008.


(get.) G.J.H. Doornewaard.


(get.) D.W.M. Kaldenhoven.


RB