Centrale Raad van Beroep, 23-10-2008 / 08-1948 AW


ECLI:NL:CRVB:2008:BG3709

Inhoudsindicatie
Vaststellingsovereenkomst. Garantie vrijwaring van fiscale wijzigingen. Gevolgen door het verschuiven van de spilleeftijd: De Raad onderschrijft de stelling van appellant dat er omstandigheden zijn die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat partijen een oplossing kiezen die overeenkomt met de geest van de vaststellingsovereenkomst.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-10-23
Publicatiedatum
2008-11-10
Zaaknummer
08-1948 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1948 AW







Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K






op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 februari 2008, 07/206 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het college van Dijkgraaf en Heemraden van het Waterschap Zuiderzeeland (hierna: college)









Datum uitspraak: 23 oktober 2008



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


De Raad heeft partijen schriftelijk een aantal vragen voorgelegd. Partijen hebben daarop gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2008. Namens appellant is verschenen mr. J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef & Partners te Boskoop. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage.



II. OVERWEGINGEN


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren in 1947, is, als uitvloeisel van een in november 2002 gesloten vaststellingsovereenkomst, met ingang van 1 december 2002 ontheven uit zijn functie van secretaris-directeur van het waterschap Zuiderzeeland en geplaatst in de functie van adviseur in algemene dienst. Met ingang van dezelfde datum is hij vrijgesteld van de verplichting om werkzaamheden voor het waterschap te verrichten. Tot aan de datum waarop appellant met zogenoemd FPU-ontslag zou gaan zou hij - kort gezegd - 90% van zijn bezoldiging ontvangen.


1.2. Naar aanleiding van rechtspraak met betrekking tot de heffing van belasting over het salaris van niet-actieve medewerkers, heeft het college appellant bij brief van 23 december 2005 laten weten dat per 1 januari 2006 een wijziging in de berekening van de belastingheffing zal plaatsvinden. Het college heeft daarbij toegelicht dat appellant tot op dat moment bij de Belastingdienst werd ingedeeld in de zogenoemde witte tabel die wordt gebruikt voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen bij loon uit tegenwoordige arbeid, in welke tabel dan ook de arbeidskorting wordt toegepast. Door de genoemde rechtspraak wordt het salaris dat non-actieve medewerkers ontvangen gezien als loon uit vroegere dienstbetrekking, zodat daarop de zogenoemde groene tabel van toepassing is. Conform die tabel wordt er geen arbeidskorting toegepast bij de berekening van de loonbelasting en de premie volksverzekeringen. Met ingang van 1 januari 2006 zal op het salaris van appellant dan ook de groene tabel worden toegepast, hetgeen betekent dat de loonbelasting en de premie volksverzekeringen hoger zullen zijn en dus het netto salaris lager.


1.3. Bij brief van 12 januari 2006 heeft appellant het college verzocht om, indien ten aanzien van het salaris van appellant de groene tabel zou blijven gehanteerd, een onvoorwaardelijke garantie af te geven dat appellant gebruik kan maken van de VUT- respectievelijk FPU-regeling conform de gesloten overeenkomsten, onderscheidenlijk getroffen regelingen, en dat zijdens het college de uitkering van het Pensioenfonds ABP en het zogenaamde VUT-fonds, wordt aangevuld tot het indertijd overeengekomen niveau. Voorts dient volgens appellant ook het door toepassing van de groene tabel ontstane verschil in de (netto) bezoldiging volledig te worden gecompenseerd.


1.4. Het college heeft bij besluit van 13 juni 2006 aangegeven dat er geen aanleiding bestaat voor een compensatie of een garantie. Kort gezegd heeft het college daartoe overwogen dat in de vaststellingsovereenkomst geen garantie is gegeven en dat appellant op grond van die overeenkomst niet is gevrijwaard van fiscale wijzigingen als hier aan de orde. Het college heeft tevens overwogen dat er geen sprake is van een garantie op een netto bedrag aan bezoldiging of FPU-uitkering. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 7 februari 2007 ongegrond is verklaard. Het college heeft daarbij voor de overwegingen verwezen naar het advies van de Bezwarencommissie personeel Awb van het waterschap, maar heeft daarbij het advies van die commissie ten aanzien van de hoogte van de FPU-uitkering niet overgenomen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het standpunt van het college onderschreven. De rechtbank was van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst appellant geen aanspraak biedt op een compensatie voor de nadelige gevolgen van de gewijzigde loonheffing of een garantie op FPU-uitkering in de door appellant voorgestane zin. De rechtbank was tevens van oordeel dat er geen aanleiding was om toepassing te geven aan de hardheidsclausule uit de vaststellingsovereenkomst, mede gelet op het feit dat appellant nog geen daadwerkelijke stappen had gezet om deelname aan de FPU-regeling te effectueren.


3.1. De stellingen van appellant in hoger beroep komen er op neer dat het college op basis van de vaststellingsovereenkomst wel is gehouden de schade ten gevolge van de toepassing van de groene tabel te vergoeden. Voorts is appellant van mening dat er wel aanleiding is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule nu door diverse wijzigingen in de FPU-regeling de zogeheten spilleeftijd van appellant is opgeschoven.


3.2. Het college heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven en heeft er op gewezen dat het verzoek van appellant prematuur is omdat er thans nog geen sprake is van schade. Daarbij wijst het college er op dat met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan appellant € 25.000,- is toegekend ter dekking van pensioenschade zodat er reeds een voorziening is getroffen.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.



4.1. De artikelen 1, eerste lid, 2 en 7 van de vaststellingsovereenkomst luiden als volgt:


Artikel 1


“1. Met ingang van 1 december 2002 wordt [appellant] ontheven uit zijn functie van secretaris-directeur van het waterschap en geplaatst in de functie van adviseur in algemene dienst van de bestuursorganen dijkgraaf, college van dijkgraaf en heemraden, en algemene vergadering. Voor het overige blijft [appellant]’s rechtspositie ongewijzigd. Dit laatste voor zoveel daarvan in deze overeenkomst niet expliciet wordt afgeweken dan wel daarvoor een aanvullende regeling wordt gegeven. Behoudens de algemene salarisher-zieningen die integraal voor de gehele sector waterschapspersoneel zullen gelden en mitsdien onverkort van toepassing zullen zijn op de financiële rechtspositie van [appellant], zullen andersoortige wijzigingen in de financiële arbeidsvoorwaarden voor alleen het personeel in dienst van het waterschap of diens rechtsopvolger niet ten gunste noch ten nadele van [appellant] gelden.


Artikel 2


1. [appellant] zal met ingang van 1 maart 2009 gebruik maken van de Fpu-regeling van de Stichting Pensioenfonds ABP en de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel (het zogenaamde VUT-fonds). Op die grond zal [appellant] met ingang van genoemde datum ontslag worden verleend. Door ondertekening van deze overeenkomst verplichten partijen zich tijdig de daarmee verbandhoudende verplichtingen te verrichten.

2. Tot aan de datum van het Fpu-ontslag, bedoeld in lid 1 van dit artikel, zal [appellant] 90% van diens bezoldiging ontvangen en wel op zodanige wijze dat de berekeningsgrondslag als bedoeld in de onderscheiden pensioen- en Fpu-reglementen van het pensioenfonds ABP en het VUT-fonds voor de fpu-uitkering en het ouderdomspensioen c.a. blijft afgeleid van de volledige bezoldiging van [appellant].


Artikel 7


In geval van omstandigheden die op het moment van ondertekening van deze overeenkomst door partijen niet zijn voorzien danwel konden worden voorzien, zoals wijziging in de wet- en regelgeving die direct of indirect van invloed is op de rechtspositie in deze van [appellant], onderscheidenlijk wijziging in de pensioenwetgeving en/of het Pensioenreglement van het Pensioenfonds ABP danwel de Fpu-regeling van genoemde pensioenfonds onderscheidenlijk het VUT-fonds en die ongewijzigde uitvoering van deze overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn, danwel de uitvoering van deze overeenkomst met evenbedoelde omstandigheden of wijzigingen strijdig doet zijn, zullen partijen in open en reëel overleg een oplossing kiezen die overeenkomt met de geest en de strekking van de onderhavige overeenkomst.”


4.2. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst niet volgt dat partijen een regeling ten aanzien van het inkomen van appellant hebben getroffen of willen treffen die er op neerkomt dat het netto inkomen van appellant tot 90% van zijn bezoldiging wordt gegarandeerd. Reeds uit de bewoordingen van artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst valt af te leiden dat die netto garantie geen onderdeel van de overeenkomst uitmaakt. Evenmin volgt uit artikel 1, eerste lid, van de vaststellingsovereenkomst dat het college gehouden zou zijn enige compensatie te verstrekken vanwege een veranderde toepassing van het fiscale regime. In dat artikellid zijn immers bepalingen opgenomen in verband met salarisherzieningen en andere wijzigingen in financiële arbeidsvoorwaarden voor het personeel van het waterschap. In het onderhavige geval is van dergelijke herzieningen of wijzigingen geen sprake.


4.3. De Raad kan voorts noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, noch uit de considerans bij die overeenkomst afleiden dat het oogmerk van partijen was gericht op een netto garantie in de zin zoals thans door appellant gesteld, noch kan de Raad op basis van die stukken concluderen dat partijen de overeenkomst in die zin konden verstaan. Appellant heeft voor de onderbouwing van zijn stelling ook geen exacte vindplaats in de stukken aan kunnen geven. Gelet daarop ziet de Raad dan ook geen reden om te concluderen dat uitvoering van de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Daarbij merkt de Raad overigens nog op dat, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft erkend, de wijziging in het netto uit te betalen bedrag op het totaal aan inkomsten van appellant een relatief gering bedrag is.


4.4. Ten aanzien van de inbreng van gegevens met betrekking tot de gevolgen voor (het gebruikmaken van) de FPU-regeling stelt de Raad vast dat die inbreng door appellant zeer beperkt is geweest. De Raad stelt echter tevens vast dat appellant goede redenen had om zich tot het college te richten, nu aanvankelijk niet duidelijk was of appellant, door de gewijzigde fiscale opvattingen, nog wel van de FPU-regeling gebruik kon maken. Inmiddels lijkt die vraag volgens partijen positief te kunnen worden beantwoord zodat dit aspect thans niet meer speelt.


4.5. Verder is tussen partijen niet meer in geschil dat de spilleeftijd van appellant als gevolg van een wijziging van het FPU-reglement verschuift en dat ten gevolge daarvan op 1 maart 2009, het moment waarop appellant ontslag zou krijgen, de FPU-uitkering per die datum lager zal zijn dan hetgeen partijen destijds mochten verwachten. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting gesteld dat door deze verschuiving het FPU-percentage slechts 75 zou zijn, waar eerder werd uitgegaan van 93,3. Zouden de gevolgen, door het verschuiven van de spilleeftijd, inderdaad van dien aard zijn, dan onderschrijft de Raad de stelling van appellant dat er omstandigheden zijn die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat partijen een oplossing kiezen die overeenkomt met de geest van de vaststellingsovereenkomst. De Raad is dan ook van oordeel dat het college een te beperkte uitleg aan artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst geeft, waar het college heeft gesteld dat slechts in geval de FPU- of VUT-regelingen geheel zouden worden afgeschaft, er aanleiding is om toepassing te geven aan genoemd artikel. Het college heeft met betrekking tot dit punt derhalve een onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht. Dat appellant eerder, ook in bezwaar en in een later verzoek om terug te komen van het onderhavige besluit, slechts in algemene termen heeft aangegeven dat er ernstige consequenties waren, doet aan die onderzoeksplicht niet af. Ook het feit dat appellant destijds ter compensatie van het gemis aan pensioenopbouw in verband met gebruikmaking van de FPU-regeling, € 25.000,- bruto heeft ontvangen brengt niet mee, dat zonder meer vast staat dat het college geen toepassing hoeft te geven aan de hardheidsclausule, zoals die is neergelegd in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst. Het is de Raad ter zitting overigens gebleken dat inmiddels meer financiële gegevens zijn ingebracht. Tevens is gebleken dat het college tot overleg bereid is; reeds ter zitting is aan appellant een aanbod gedaan om tot een oplossing te komen.


4.6. Het bestreden besluit kan derhalve geen stand houden voor zover dat betrekking heeft op de werking van artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst in relatie tot de FPU-uitkering. Het college zal na vernietiging in zoverre van dat besluit, met inachtneming van het voorgaande, dienen te besluiten op het bezwaar van appellant.


5. De Raad ziet aanleiding om het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,- wegens verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de werking van artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst in relatie tot de FPU-uitkering;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Draagt het college op in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Waterschap Zuiderzeeland;

Bepaalt dat het Waterschap Zuiderzeeland het door appellant betaalde griffierecht in hoger beroep van € 216,- aan hem vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.G. Rottier en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2008.



(get.) J.C.F. Talman.



(get.) M.B. de Gooijer.



HD

10.10