Centrale Raad van Beroep, 26-11-2008 / 04-6432 WAO


ECLI:NL:CRVB:2008:BG6503

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Primaire en meer subsidiaire grond niet langer gehandhaafd. Niet is getoetst aan de vraag of appellant bij aanvang van de verzekering arbeidsongeschiktheid al dan niet had kunnen verwachten. Vernietiging wegens ondeugdelijke motivering. Door Raad ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Uwv heeft redelijk gebruik gemaakt van weigeringsbevoegdheid. In standlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-11-26
Publicatiedatum
2008-12-16
Zaaknummer
04-6432 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/6432 WAO


Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 oktober 2004, 03/1430 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 26 november 2008


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Achterveld voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


Desgevraagd heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, op 30 juni 2007 als deskundige aan de Raad rapport uitgebracht van een onderzoek van appellant.


Appellant en het Uwv hebben dit rapport van commentaar voorzien, waarop de deskundige heeft gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 11 maart 2008, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.


Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


Bij brief van 28 juli 2008 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord.


Het geding is wederom ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op

15 oktober 2008, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.


II. OVERWEGINGEN


1. Op 30 september 1999 is appellant in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) in dienst getreden bij Trion. Op 24 januari 2000 is hij daar uitgevallen.


2. Bij besluit van 22 januari 2001 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat hij na afloop van de wettelijke wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.Bij besluit van 21 september 2001 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2001 ongegrond verklaard.


3. Bij uitspraak van 18 september 2003, 01/933, heeft de rechtbank Leeuwarden het beroep van appellant tegen het besluit van 21 september 2001 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, psychiater W.H.J. Mutsaers, die appellant niet in staat achtte tot het verrichten van arbeid, moet worden afgeleid dat het Uwv de psychische problemen van appellant onvoldoende heeft onderkend, zodat het besluit van 21 september 2001 op een ondeugdelijke medische grondslag berust.


4. Na nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2003 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld - kort weergegeven - primair dat appellant reeds bij aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, subsidiair dat appellant binnen een half jaar arbeidsongeschikt is geworden terwijl zijn gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van zijn verzekering dit kennelijk moest doen verwachten in de zin van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO en meer subsidiair dat artikel 18, tweede lid, van de WAO op appellant van toepassing is.


5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van de deskundige Mutsaers, het primaire standpunt van het Uwv onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat het Uwv bij het bestreden besluit een ander standpunt inneemt dan bij het besluit van 21 september 2001, dat appellant voor zijn dienstverband bij Trion medisch is gekeurd op geschiktheid voor een WSW-dienstverband, dat appellant blijkens informatie van Trion redelijk goed functioneerde en dat volgens de bedrijfsarts geen sprake was van een ernstige depressie of psychische decompensatie.


7. De Raad overweegt het volgende.


7.1. De Raad stelt vast dat het Uwv in de loop van de procedure te kennen heeft gegeven de primaire en meer subsidiaire grond van het bestreden besluit niet langer te handhaven. Bij de in rubriek I genoemde brief van 28 juli 2008 heeft het Uwv voorts te kennen gegeven dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet is getoetst aan de vraag of appellant bij aanvang van de verzekering arbeidsongeschiktheid al dan niet had kunnen verwachten, welke toetsing is voorzien in het te dezen toepasselijke Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en WAJONG) van 8 juli 1998, Stcrt 1998, 140, waaraan in het bestreden besluit is gerefereerd.


7.2. Op grond van hetgeen in 7.1. is overwogen moet de Raad concluderen dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit.


7.3. De Raad zal onderzoeken of er termen zijn om gebruik te maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.


7.4. In zijn rapport van 30 juni 2007 heeft de deskundige op de vragen van de Raad onder meer geantwoord:

“Ad a.1 Ik vind geen aanwijzingen dat betrokkene reeds op 30 september 1999 als gevolg van ziekte of gebrek tot geen enkele inkomensvormende arbeid in het vrije bedrijf of in WSW-verband in staat was. (…)

Ad a.3 Betrokkenes kwetsbaarheid voor stressfactoren in persoonlijke relaties, in de sfeer van vrienden en kennissen en in werkomstandigheden was op 30 september 1999 zodanig groot, dat het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van het dienstverband kennelijk moest worden verwacht. Dat betrokkenes functioneren in zijn WSW-werk aanvankelijk goed werd beoordeeld, komt daarmee niet in strijd.(…) Daarbij heb ik tevens rekening gehouden met de criteria die uw Raad volgens vaste jurisprudentie aanneemt om te mogen spreken van een kennelijke verwachting dat arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na indiensttreding kan worden verwacht.”


7.5. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat zich ten aanzien van appellant de situatie voordoet als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, namelijk een arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten. De Raad ziet in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen. Het Uwv was mitsdien bevoegd de op 24 januari 2000 ingetreden arbeidsongeschiktheid blijvend geheel buiten aanmerking te laten. Gelet op de gedingstukken, waaronder in het bijzonder de rapportages van de deskundige Koeselman, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv in redelijkheid van zijn weigeringsbevoegdheid had moeten afzien. De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit derhalve geheel in stand laten.


8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.449,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008.



(get.) H. Bolt.



(get.) W.R. de Vries.


JL