Centrale Raad van Beroep, 03-12-2008 / 07-1963 WVG + 07-1996 WVG


ECLI:NL:CRVB:2008:BG7283

Inhoudsindicatie
Toekenning woonvoorziening in de vorm van een vergoeding voor het verruimen van de slaapkamer met 6 m² ten bedrage van € 13.092,16.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-12-03
Publicatiedatum
2008-12-23
Zaaknummer
07-1963 WVG + 07-1996 WVG
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/1963 WVG

07/1996 WVG


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tubbergen (hierna: College)


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 februari 2007, 05/1534 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen


appellant


en


het College.


Datum uitspraak: 3 december 2008

I. PROCESVERLOOP


Partijen hebben hoger beroep ingesteld.


Partijen hebben een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld op de zitting van 22 oktober 2008. Voor appellant is verschenen H.F.A. van Tiggelen, werkzaam bij GETSOM te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Legtenberg, werkzaam bij de gemeente Tubbergen.


II. OVERWEGINGEN


1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.2. Appellant, geboren [in] 1978, heeft tengevolge van een motorongeval een incomplete dwarslaesie. Hij beschikt over een rolstoel, een handbike, een douchestoel, een vervoerskostenvergoeding en een autoaanpassing. Appellant woont thuis in de woning van zijn ouders. Hij slaapt beneden en kan beneden gebruik maken van een natte cel. Hij werkt halve dagen op 400 meter van zijn woning.


1.3. Appellant heeft op 14 januari 2004 een woningaanpassing aangevraagd in de vorm van een aanbouw ten behoeve van een zit/slaapkamer, een natte cel en aanpassing van de keuken. Appellant wil zijn zelfstandigheid vergroten.


1.4. Argonaut heeft het College bij rapport van 5 februari 2004 geadviseerd om de slaapkamer te vergroten met 6 m². Een keuken wordt niet geïndiceerd, omdat de aanwezige keuken voldoet.


1.5. Het College heeft appellant bij besluit van 25 augustus 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening toegekend in de vorm van een vergoeding voor het verruimen van de slaapkamer met 6 m² ten bedrage van € 13.092,16.


1.6. Appellant heeft op 11 oktober 2004 bezwaar gemaakt. Hij acht de vergunde oplossing niet toereikend, omdat met zijn wens om zelfstandig te kunnen leven geen rekening is gehouden.


1.7. Het Adviesburo Zorg Totaal (hierna: AZT) heeft bij rapport van 18 november 2004 advies uitgebracht. Het heeft geadviseerd om de aanpassing van de keuken nader te bekijken. AZT is van mening dat bevordering van het zelfstandig wonen thuis niet onder de zorgplicht van het College ingevolge de Wvg valt. Met betrekking tot de verruiming van de slaapkamer conformeert AZT zich aan het advies van Argonaut.


1.8. Eind 2005 heeft appellant een bouwplan, dat voorziet in de uitbreiding van de woning met een zit/slaapkamer van 32 m², doen realiseren. De begrote kosten waren € 86.859,74.


1.9. De bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van de gemeente Tubbergen heeft het College bij rapport van

6 december 2004 positief geadviseerd over de aanpassing van de keuken. De bezwaarschriftencommissie heeft het College bij rapport van 3 augustus 2005 geadviseerd om het bezwaar met betrekking tot de zit/slaapkamer en de natte cel ongegrond te verklaren.


1.10. De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) heeft het College bij rapport van 10 juni 2005 van advies gediend. Geadviseerd is om de woning van appellant rolstoeltoe- en doorgankelijk te maken, om de keuken aan te passen en om de zit/slaapkamer uit een oogpunt van zelfstandigheid van appellant te verruimen. CIZ heeft bij brief van 25 augustus 2005 te kennen gegeven af te zien van een advies met betrekking tot de maatvoering en de prijzen.


2. Het College heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 2 november 2005, voor zover thans nog van belang, ongegrond verklaard. Het College stelt zich in dat besluit primair op het standpunt dat appellant de veroorzaker van het ongeval dient aan te spreken tot vergoeding van de schade, waaronder begrepen de kosten van woningaanpassing, en dat deze mogelijkheid van civielrechtelijk verhaal ten opzichte van de Wvg een voorliggende voorziening is. Het College heeft voorts besloten geen beroep te doen op het verhuisprimaat, omdat verhuizing om uiteenlopende, in de ogen van het College voldoende zwaarwegende redenen, niet de voorkeur van appellant geniet. Het College acht, gezien het bepaalde in artikel 3 van de Wvg, dat een voorziening doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht dient te zijn, enige ruimte - zij het niet onbeperkt - aanwezig om tegemoet te komen aan de wens van appellant om de woning aan te passen. Met betrekking tot de zit/slaapkamer stelt het College zich op het standpunt dat verruiming van de bestaande, 12 m² beslaande, slaapkamer met

6 m² toereikend is. Het College meent daarvoor steun te vinden in de adviezen van Argonaut, AZT en CIZ. Weliswaar hebben deze adviseurs te kennen gegeven dat de wens van appellant om uit een oogpunt van zelfstandigheid te kunnen beschikken over een ruimere zit/slaapkamer begrijpelijk is, maar dat is volgens het College niet de aan te leggen norm. Het gaat er volgens het College om of een vergroting van de bestaande slaapkamer met meer dan 6 m² om ergonomische redenen noodzakelijk moet worden geacht. Dat is volgens het College niet het geval. Privacy en de wens van een jongvolwassene om zo zelfstandig mogelijk te kunnen leven zijn geen belangen die de Wvg beoogt te beschermen. Ten slotte heeft het College nog overwogen dat honorering van de aanvraag van appellant zou leiden tot een voorziening die ruimschoots meer kost dan € 48.378,--. De Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 van de gemeente Tubbergen (hierna: Verordening) bepaalt evenwel dat geen woonvoorziening wordt verleend waarvan de kosten meer bedragen dan € 48.378,--.


3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 2 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens zijn bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

7 februari 2007, LJN AZ8205, geoordeeld, dat artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening, inhoudende dat privaatrechtelijke aansprakelijkstelling ten opzichte van de Wvg als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd, onverbindend is. Daarom heeft zij het besluit van 2 november 2005 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens heeft zij echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Daartoe heeft zij vastgesteld dat het College geen beroep heeft gedaan op het verhuisprimaat en geconcludeerd dat het College dus heeft besloten op grond van de hardheidsclausule. Daarvan uitgaande heeft zij onderzocht of in het geval van appellant sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard door geen grotere verruiming van de slaapkamer te vergoeden dan met 6 m². Zij heeft geoordeeld dat in het geval van appellant van een onbillijkheid van overwegende aard geen sprake is. Appellant heeft er zelf voor gekozen om thuis te blijven wonen bij zijn ouders. Dit betekent volgens het College dat hij slechts aanspraak kan maken op het normale en volledige gebruik van die woning als inwonende.


3.2. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 2 november 2005 op toepassing van de hardheidsclausule berust. Verder is aangevoerd dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen woonvoorziening kan worden toegekend die duurder is dan € 45.378,--. De wetgever is ervan uitgegaan dat dit wel mogelijk is. Appellant meent ook dat het College selectief steun zoekt in de adviezen van Argonaut, AZT en CIZ en vindt dat daarin ook steun wordt gevonden voor zijn eigen standpunt dat een woonvoorziening dient te worden getroffen die voldoende recht doet aan zijn wens om in de ouderlijke woning zelfstandig te kunnen wonen. Appellant is van mening dat het Handboek Toegankelijkheid niet juist is toegepast door uit te gaan van een zit/slaapkamer van 18 m². Ten slotte is aangevoerd dat het College niet transparant en tijdig heeft besloten en heeft hij verzocht om schadevergoeding.


3.3. Ook het College heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gericht. Aangevoerd is dat de rechtbank het besluit van 2 november 2005 niet had mogen vernietigen, omdat de tweede grond waarop dat besluit berust door de rechtbank deugdelijk is bevonden. De rechtbank had daarin aanleiding moeten vinden om het beroep ongegrond verklaren. Het College heeft bij wijze van verweer gesteld dat het impliciet toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Met betrekking tot de maatvoering van de zit/slaapkamer heeft het College gepersisteerd bij het bestreden besluit. Het College vindt dat het Handboek Toegankelijkheid juist is toegepast, omdat uitgegaan moet worden van de oppervlakte van een slaapkamer. Appellant kan immers gebruik maken van de woonkamer van de woning.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Het hoger beroep van het College


4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en aan het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 14 november 2007, LJN BB9155.


4.2. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van het College gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant gegrond is en dat het besluit van 2 november 2005 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het College vindt dat de rechtbank het beroep ongegrond had moeten verklaren, omdat de tweede grond waarop het besluit van 2 november 2005 steunt door de rechtbank deugdelijk is bevonden. Het College heeft ter zitting aangevoerd dat zijn belang bij een inhoudelijke beoordeling van deze grief gelegen is in het feit dat de rechtbank het College heeft veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.


4.3. Uit vaste jurisprudentie van de Raad vloeit verder voort dat een proceskostenveroordeling geen belang is dat de weg opent naar een inhoudelijke beoordeling, omdat een dergelijke veroordeling niet afhankelijk is van het oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De Raad wijst op zijn uitspraak van 4 februari 1997, LJN ZB6628.


4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van het College niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.


Het hoger beroep van appellant


4.5. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant gericht is tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.


4.5.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.


4.5.2. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente Tubbergen de Verordening vastgesteld.


4.5.3. Artikel 2.4, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat een gehandicapte voor een andere woonvoorziening dan een verhuiskostenvergoeding in aanmerking kan komen, indien verhuizing niet te realiseren is of niet de goedkoopst adequate oplossing is.


4.5.4. Artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte of een woningeigenaar van de bepalingen in de verordening kunnen afwijken, indien de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.


4.6. De Raad stelt vast dat noch het bestreden besluit van 2 november 2005, noch het primaire besluit van 25 augustus 2004 op toepassing van de hardheidsclausule van artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening berust. Integendeel, uit het besluit van 2 november 2005 blijkt dat het College van mening is dat verhuizing in het geval van appellant niet wordt beschouwd als een adequate oplossing voor zijn woonproblematiek en dat daarom ten gronde wordt beoordeeld of appellant recht heeft op de aangevraagde woningaanpassing. Dit betekent dat het College heeft geoordeeld dat verhuizing voor appellant niet te realiseren is dan wel geen adequate oplossing is.


4.7. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd door bij de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten, te beoordelen of in het geval van appellant sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.


5. Met hetgeen onder 4.7 is overwogen is nog niet gegeven dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 november 2005 in stand dienen te worden gelaten. Daarvoor is ook van belang of het College terecht heeft beslist om voor de verruiming van de zit/slaapkamer van appellant geen ruimere vergoeding toe te kennen dan voor 6 m². De Raad overweegt daarover het volgende.


5.1.1. Artikel 1.2 van de Verordening luidt, voor zover hier van belang:

“1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: (…)

b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;

c. deze naar objectieve maatstaven, als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt. (…)”


5.1.2. Artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: (…)

b. woningaanpassing; (…).


5.1.3. Artikel 2.1, derde lid, van de Verordening bepaalt dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn of meer bedragen dan f 100.000,--, dan wel het met toepassing van artikel 5, lid 6, van de wet gewijzigde bedrag, niet verleend worden tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.


5.1.4. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg wordt (voor zover hier van belang) onder een woonvoorziening verstaan elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen. Naar vaste jurisprudentie van de Raad moet het in deze bepaling ten aanzien van woningaanpassingen neergelegde criterium "ergonomische beperkingen" aldus worden uitgelegd, dat voor het vergoeden van dergelijke aanpassingen het vereiste geldt dat er zich bij een gehandicapte een - hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit een geestelijke handicap voortvloeiende - belemmering voordoet ten aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, welke in direct verband staat met een lichamelijk functionele beperking.


5.2. Uit de advisering door Argonaut en AZT blijkt dat in het geval van appellant voor een zit/slaapkamer een afmeting van 18 m² toereikend is. Appellant heeft geen gegevens ingebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat zijn door ziekte of gebrek veroorzaakte ergonomische beperkingen van dien aard zijn, dat hij is aangewezen op een grotere zit/slaapkamer. De beperkte oppervlakte van een slaapkamer in het Handboek Toegankelijkheid is naar het oordeel van de Raad geen ergonomische beperking ten aanzien van een elementaire woonfunctie die in direct verband staat met een lichamelijke functionele beperking. Dat appellant in een zit/slaapkamer van 18 m² beperkingen ondervindt bij het voeren van een zelfstandig leven is niet aan te merken als een dergelijke ergonomische beperking. De - alleszins begrijpelijke - wens van appellant om in de woning van zijn ouders een (meer) zelfstandig leven te kunnen leiden doet daaraan niet af. Dit betekent immers niet dat hij objectief gezien geen gebruik kan maken van de woonkamer van de woning waarin hij woont. Hiermee is gegeven dat appellant geen recht heeft op een vergoeding voor de verruiming van zijn zit/slaapkamer met meer dan

6 m².


5.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft beslist om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.


6. Nu de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en appellant daartegen in hoger beroep is opgekomen acht de Raad termen aanwezig om het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het hoger beroep van het College niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de gemeente Tubbergen.


Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008.


(get.) R.M. van Male



(get.) J. Waasdorp