Centrale Raad van Beroep, 11-12-2008 / 08-399 ALGEM


ECLI:NL:CRVB:2008:BG8396

Inhoudsindicatie
Naar het oordeel van de Raad biedt de agentuurovereenkomst onvoldoende grondslag voor de conclusie dat tussen partijen een arbeidsrelatie bestond waarin appellante jegens betrokkene werkgeversgezag uitoefende, dan wel in de positie verkeerde zodanig gezag uit te oefenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-12-11
Publicatiedatum
2008-12-29
Zaaknummer
08-399 ALGEM
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/399 ALGEM


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


B.V. Handelsmaatschappij v/h W.J. S., gevestigd te `[vestigingsplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 december 2007, 06/6730 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 11 december 2008



I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is door mr. J. Koekkoek, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Voor appellante is verschenen mr. Koekkoek, voornoemd, en H.A. S. en A.J. M.. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.


1.1.Voor zijn oordeelsvorming neemt de Raad met de rechtbank als vaststaand aan de volgende feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak in rubriek 2.1 tot en met 2.3, waarbij het Uwv wordt aangeduid als verweerder en appellante als eiseres.


“2.1. In 2005 is een looncontrole geweest bij eiseres. Bij brief van 5 juli 2005 heeft de looninspecteur aan eiseres een aantal vragen gesteld en om stukken verzocht. Bij brief van 12 juli 2005 heeft (het administratiekantoor van) eiseres gereageerd en een concept-overeenkomst overlegd tussen eiseres enerzijds en G. B.V. anderzijds. Omtrent G. B.V. is hierbij opgemerkt dat A.J. van M. eigenaar is van Van M. Holding B.V., en dat deze B.V. 100% eigenaar is van G. B.V.. Vervolgens heeft (het administratiekantoor van) eiseres nog gereageerd bij brieven van 26 september 2005 en

12 oktober 2005.


2.2. Verweerder heeft zich op basis van dit onderzoek op het standpunt gesteld dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen A.J. van M. en eiseres en dat eiseres als werkgever gehouden was de premies inzake de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering alsnog te voldoen.


2.3. Bij besluiten van 8 februari 2006 - zijnde correctienota’s - heeft verweerder hierop nadere premies vastgesteld ten aanzien van eiseres over de jaren 2002 tot en met 2004.”


1.2. Bij besluit van 6 juli 2006 zijn de bezwaren tegen de correctienota’s ongegrond verklaard, waarbij het Uwv zijn standpunt heeft gehandhaafd dat de heer Van M. (hierna: betrokkene) met betrekking tot de premiejaren 2002 tot en met 2004 geacht moet worden werkzaam te zijn geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist vooral dat er sprake is van een gezagsverhouding en dat de werkzaamheden van betrokkene dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Raad is allereerst met de rechtbank van oordeel dat, nu appellante de concept agentuurovereenkomst (hierna: overeenkomst) tussen G. B.V. en appellante meerdere malen bij het Uwv heeft ingebracht en op de inhoud daarvan ook uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan in bezwaar, bij de beoordeling van de tussen appellante en betrokkene bestaande rechtsverhouding van deze overeenkomst mag worden uitgegaan. De Raad stelt vast dat het Uwv zijn standpunt dat sprake was van een gezagsverhouding ook uitsluitend heeft gebaseerd op genoemde agentuurovereenkomst. Naar het oordeel van de Raad biedt deze overeenkomst echter onvoldoende grondslag voor de conclusie dat tussen partijen een arbeidsrelatie bestond waarin appellante jegens betrokkene werkgeversgezag uitoefende, dan wel in de positie verkeerde zodanig gezag uit te oefenen. Met het Uwv kan de Raad niet ontkennen dat de artikelen 3 en 4 van deze overeenkomst elementen bevatten die wijzen op een gezagsverhouding. Uit de overige artikelen van de overeenkomst blijkt echter dat betrokkene een eigen klantenkring heeft, dat hij maandelijks aan appellante voor kantoorruimte en telefoon bij vooruitbetaling een vast bedrag aan kosten moet betalen, dat door appellante achteraf bij betrokkene de kosten van het inhuren van personeel voor G. B.V. in rekening wordt gebracht en dat betrokkene ondernemersrisico loopt. Dit zijn duidelijke elementen die wijzen op een gezamenlijke bedrijfsvoering tussen appellante en betrokkene. Het geheel van deze feiten en omstandigheden overziend, leidt de Raad tot de conclusie dat van een gezagsverhouding tussen appellante en betrokkene niet gesproken kan worden.


4.2. Nu reeds op deze grond de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit geen stand kunnen houden, komt de Raad niet toe aan de bespreking van de andere voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Het vorenstaande houdt derhalve tevens in dat de aan appellante opgelegde premiecorrecties geen stand kunnen houden.


4.3. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 juli 2006;

Herroept de besluiten van 8 februari 2006;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag € 1.288,--,

te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht van in totaal € 704,-- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.W.B. van Westen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.



(get.) R.C. Schoemaker.



(get.) C. de Blaeij.


RB