Centrale Raad van Beroep, 11-12-2008 / 08-2210 AKW


ECLI:NL:CRVB:2008:BG8431

Inhoudsindicatie
Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven op de peildata in Nederland ligt en dat hij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2008-12-11
Publicatiedatum
2008-12-29
Zaaknummer
08-2210 AKW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/2210 AKW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 maart 2008, 07/1034 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).


Datum uitspraak: 11 december 2008



I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo hoger beroep ingesteld 2007.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2008, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Verkoeijen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.


1.1. Appellant die de Nederlandse nationaliteit bezit heeft van 1989 tot december 2000 in Nederland gewoond en gewerkt. Van 25 november 1995 tot en met 26 november 2005 heeft appellant een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Op 24 september 2006 is appellant naar Nederland teruggekeerd en ingetrokken bij een kennis. Zijn partner en kinderen verblijven in Marokko.

Op 27 februari 2007 is aan appellant met ingang van 13 november 2006 een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand toegekend. Per 15 maart 2007 heeft appellant een bed en een kast gehuurd op een kamer die wordt bewoond door meerdere personen. In hoger beroep is overgelegd het besluit van 30 oktober 2008 waarbij aan appellant per 29 mei 2007 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.


1.2. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft de Svb appellant medegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal 2007 geen recht op kinderbijslag heeft omdat hij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt aangemerkt. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Svb bij besluit van 8 juni 2007 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de peildata van het eerste en tweede kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is voor de AKW.


3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

a) ingezetene is;

b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. Niet in geschil is dat appellant op de peildata van het eerste en tweede kwartaal van 2007 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.


4.2. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.


4.3. Met betrekking tot de juridische binding van appellant met Nederland is de Raad van oordeel dat deze gelet op de Nederlandse nationaliteit van appellant aanwezig is.


4.4. Ten aanzien van de economische binding van appellant met Nederland is de Raad van oordeel dat deze zowel voor het eerste als het tweede kwartaal van 2007 zwak is. De Raad overweegt daartoe dat appellant was aangewezen op een uitkering krachtens de WWB, zij het toegekend met terugwerkende kracht, en niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het kunnen beschikken over een bed en een kast in een kamer die gedeeld wordt met meerdere personen niet gelijkgesteld kan worden met het kunnen beschikken over zelfstandige woonruimte. De eerst per 29 mei 2007 toegekende WAO-uitkering, wat daarvan ook de betekenis is in het kader van de economische binding in zijn geheel bezien, doet aan het vorenstaande niet af.


4.5. Wat de sociale binding met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die op de peildata in geding als zwak dient te worden betiteld. Met name het gegeven dat de partner van appellant en zijn kinderen in Marokko verblijven laat de Raad zwaar wegen. Evenmin is de Raad gebleken van een sociaal netwerk in Nederland dat appellant gedurende zijn verblijf in Marokko in stand heeft gehouden.


4.6. Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven op de peildata in Nederland ligt en dat hij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. De Raad merkt daarbij op dat bij vertrek uit Nederland met het oogmerk zich definitief elders te vestigen, het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Dit brengt in het geval van appellant, die bijna zes jaar uit Nederland is weggeweest, mee dat bij terugkomst in Nederland een sociale en economische binding met Nederland niet direct is hersteld, maar opnieuw moet worden opgebouwd.


4.7. Wat betreft de schending van het vormvoorschrift is de Raad van oordeel dat niet gebleken is dat appellant, door het achterwege laten van de vermelding van de toepasselijke artikelen, in het onderhavige geval is benadeeld, zodat gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende grond aanwezig is het bestreden besluit op dit punt niet in stand te laten.


4.8. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.


4.9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


4.10. Derhalve wordt beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.



(get.) B.J. van der Net.



(get.) C. de Blaeij.



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.





IA