Centrale Raad van Beroep, 20-02-2009 / 07-349 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH3885

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Geen reden om aan te nemen dat de functionele beperkingen van appellante zijn onderschat. Eerst in hoger beroep voldoende toegelicht waarom de geselecteerde functies qua functie-eisen en belastbaarheid geschikt zijn te achten voor appellante. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-20
Publicatiedatum
2009-02-27
Zaaknummer
07-349 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/349 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 november 2006, 06/2058 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 20 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van nadere stukken.


Mr. Bergenhenegouwen heeft nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting vond plaats op 9 januari 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door W.P.J.M. van Gestel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Bij besluit van 24 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv zijn besluit van 14 oktober 2005 gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke vanaf december 1997 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 december 2005 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


1.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, waardoor zij haar voormalige functie van Z-verpleegkundige (groepsleidster) niet meer kan vervullen. Appellante is volgens het Uwv echter wel geschikt te achten voor werkzaamheden, verbonden aan de functies van parkeercontroleur, telefonist/receptionist/typist en productiemedewerker papier/karton/drukkerij. Hierdoor is het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op ongeveer 20%.


2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige kant van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3. Ook in hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar functionele mogelijkheden, zowel op lichamelijk als op psychisch gebied, niet juist zijn vastgesteld en dat zij de in aanmerking genomen functies niet kan vervullen. Zij heeft daartoe met name gewezen op een rapport van de klinisch psycholoog Van Spaendonck en de neuropsycholoog Van Haastert (van januari 1999), een rapport van de neuropsycholoog Matser (van juni 2000), een rapport van de psycholoog M. Bemelmans (van april 2006), alsmede een verslag van een MRI-onderzoek van de radioloog Van Os (van maart 2008). Haar verzoek om nog bij de psycholoog De Bijl een expertise te mogen laten verrichten heeft zij ter zitting ingetrokken.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat de functionele beperkingen van appellante zijn onderschat. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellante persoonlijk heeft onderzocht en al haar klachten, alsook de genoemde rapporten uit 1999 en 2000 in ogenschouw heeft genomen. Zij heeft geen ernstige (psycho)pathologie kunnen vaststellen. Uit de rapporten komen alleen milde afwijkingen naar voren. Mede omdat bij eerdere beoordelingen forse beperkingen zijn aanvaard, waaronder een urenbeperking heeft zij toch beperkingen vastgesteld voor zware fysieke arbeid, nekbelasting, hectische werkomstandigheden en lawaai. Appellante heeft nadien geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat haar mogelijkheden hiermee zijn overschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft eveneens onderbouwd waarom geen urenbeperking, of zwaardere beperkingen kunnen worden aanvaard. De medische stukken geven de Raad geen aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig of onjuist te achten. Ook de uitkomst van het MRI-onderzoek uit maart 2008 geeft daartoe geen aanleiding. Met betrekking tot appellantes stelling dat haar situatie na de vorige beoordeling niet is verbeterd, merkt de Raad op dat de onderhavige beoordeling een op zichzelf staande medische beoordeling naar een specifieke datum is, waarbij de medische voorgeschiedenis in beschouwing is genomen. De wet verplicht het Uwv om de WAO-uitkering te verlagen indien de daaruit voortvloeiende mate van arbeidsongeschiktheid in een lagere klasse uitkomt. Aan de enkele toekenning van een WAO-uitkering en de continuering daarvan gedurende een aantal jaren kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de uitkering ook nadien ongewijzigd wordt voortgezet.


4.2. Aan de herziening van de WAO-uitkering ligt ten grondslag dat appellante de onder 1.2 genoemde functies kan vervullen. Van de zijde van het Uwv is pas in hoger beroep volledig toegelicht (door middel van een aanpassing van de FML en een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige) waarom deze functies voor appellante geschikt zijn te achten qua functie-eisen en belastbaarheid. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit daarom gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de aangevallen uitspraak om deze reden dient te worden vernietigd. Omdat alsnog voldoende is gemotiveerd waarom de functies voor appellante geschikt zijn, zal de Raad echter bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De in beroep en hoger beroep gevorderde schadevergoeding komt hierdoor niet voor toewijzing in aanmerking.


5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.


(get.) R.C. Stam.


(get.) A.C. Palmboom.




KR