Centrale Raad van Beroep, 11-02-2009 / 07-2375 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2009:BH3901

Inhoudsindicatie
Ondersteunende begeleiding in verband met borderline persoonlijkheidsstoornis. Bevordering en behoud zelfredzaamheid. Is indicatiestelling juist? Beleid mbt begrippen “doelmatige zorgverlening” en “redelijkerwijs aangewezen zijn”. Bij een meerpersoonshuishouden staat een normale baan of een opleiding het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg. Van een gezonde volwassen huisgenoot wordt verwacht dat hij gebruikelijke zorg verleent, tenzij sprake is van dreigende overbelasting van die huisgenoot. Ook andere omstandigheden kunnen belemmering vormen zorg te verlenen Dit moet onderzocht worden. Het vereiste van een afwezigheid van ten minste zeven etmalen van de huisgenoot dient buiten beschouwing gelaten te worden wegens strijd met de AWBZ. Onvoldoende onderzoek naar dreigende overbelasting echtgenoot en andere omstandigheden. Onduidelijk of rekening is gehouden met medische verklaringen behandelend psychiater.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-11
Publicatiedatum
2009-03-03
Zaaknummer
07-2375 AWBZ
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

07/2375 AWBZ


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: appellante)


tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 maart 2007, 06/846 (hierna: aangevallen uitspraak)


in het geding tussen:



appellante


en


[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)


Datum uitspraak: 11 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.


Namens betrokkene heeft mr. P.P.J. Minten, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus en A. Maes, beiden werkzaam bij CIZ. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Minten en [v.S.].


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Betrokkene is gehuwd en heeft drie inwonende minderjarige kinderen. Zij lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis met neiging tot automutilatie. Zij heeft concentratieproblemen, kan geen prioriteiten stellen, komt moeilijk tot activiteiten en heeft moeite met het organiseren van het huishouden. Door haar aandoening kan betrokkene niet alleen zijn met haar kinderen. Haar echtgenoot heeft een eigen veeteelt- en landbouwbedrijf. In verband hiermee moet hij regelmatig, ook in het weekend en ’s avonds, in de stal en op het land zijn. Betrokkene heeft aangegeven dat haar man op die momenten niet bij haar en de kinderen kan zijn.


1.2. Vanwege de beperkingen van betrokkene heeft appellante haar bij besluit van 10 december 2004 met toepassing van het bepaalde in en bij de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding, klasse 7 (= 16 tot 19,9 uur per week) over de periode van 10 december 2004 tot 10 december 2005. Daarbij is met haar afgesproken dat zij tijdens normale werkweken 16 uur per week ondersteunende begeleiding gebruikt en tijdens vakantieweken 24 uur.


1.3. Vervolgens heeft betrokkene op 26 oktober 2005 een aanvraag ingediend om voortzetting van de geïndiceerde zorg. Hangende de afhandeling van deze aanvraag heeft appellante bij besluit van 24 november 2005 betrokkene geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding, klasse 7, over de periode van 24 november 2005 tot 10 maart 2006.


1.4. Naar aanleiding van de aanvraag van 26 oktober 2005 heeft appellante medische informatie ingewonnen bij B. Lepage, de behandelende psychiater van betrokkene (hierna: Lepage), en is informatie bij de huisarts opgevraagd over de gezondheidstoestand van betrokkene en haar echtgenoot. Lepage heeft vermeld dat betrokkene in verband met de aangegeven diagnose vooral beperkt is in haar mogelijkheden wat betreft de opvang van de kinderen en dat zij met behulp van de thuiszorg er in slaagt zich te handhaven. Bij besluit van 10 februari 2006 is betrokkene vervolgens geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding, klasse 5 (= 10 tot 12,9 uur per week), over de periode van 11 maart 2006 tot 22 april 2006, en voor ondersteunende begeleiding, klasse 4 (= 7 tot 9,9 uur per week), over de periode van 23 april 2006 tot 11 maart 2008. Appellante heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de man van betrokkene in staat is om gebruikelijke zorg te verlenen en dat betrokkene voor de opvang van de kinderen gebruik kan maken van algemeen voorliggende voorzieningen zoals gastouderopvang of buitenschoolse opvang.


1.5. In bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2006 heeft betrokkene onder meer gesteld dat haar situatie niet is veranderd en dat zij ondersteunende begeleiding nodig heeft bij het verrichten van huishoudelijke taken en in de omgang met haar kinderen. Haar man doet thuis al erg veel en kan volgens betrokkene naast zijn bedrijf niet nog meer werk in huis verrichten. Dat laatste zou het bedrijf ernstig schaden.


1.6. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft appellante, na opnieuw medische informatie te hebben ingewonnen bij Lepage en de huisarts, het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2006 in zoverre gegrond verklaard dat betrokkene van 11 maart 2006 tot 11 juni 2006 is geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding, klasse 6 (= 13 tot 15,9 uur per week), en over de periode van 12 juni 2006 tot 11 maart 2008 voor ondersteunende begeleiding, klasse 5 (= 10 tot 12,9 uur per week). Naar de zienswijze van appellante moet de man van betrokkene in staat worden geacht de huishoudelijke taken en de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Deze zorg valt ingevolge het protocol Gebruikelijke Zorg (hierna: PGZ) onder gebruikelijke zorg zodat daarop geen aanspraak bestaat vanuit de AWBZ. Voor de opvang van de kinderen na schooltijd en tijdens de vakanties kan betrokkene gebruik maken van een algemeen voorliggende voorziening in de vorm van buitenschoolse opvang die in haar woonplaats beschikbaar is.


1.7. In eerste aanleg heeft betrokkene onder meer een nader onderbouwd overzicht overgelegd van de werkzaamheden die haar man als zelfstandige in zijn landbouw- en veeteeltbedrijf verricht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigd, en appellante opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is de psychische belasting van betrokkene blijkens de verklaringen van Lepage zodanig dat zij groot belang heeft bij in ieder geval handhaving van de indicatie ondersteunende begeleiding, klasse 7.

Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat in het bedrijf van de echtgenoot sprake is van een continue bedrijfsvoering die niet te vergelijken is met een volledige en normale baan waarvan in het PGZ wordt uitgegaan. Uit het besluit van 20 juli 2006 blijkt niet dat met deze omstandigheden in voldoende mate rekening is gehouden. De rechtbank heeft voorts met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat het besluit van 10 februari 2006 is geschorst en dat appellante betrokkene dient te behandelen als ware haar een indicatie ondersteunende begeleiding, klasse 7, toegekend. Deze voorlopige voorzieningen vervallen zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar.


3.1. Appellante stelt in hoger beroep onder meer dat de in geschil zijnde zorg ziet op huishoudelijke verzorging en de zorg voor de kinderen. In de aan het besluit van 10 februari 2006 voorafgegane indicaties is de bij de huishoudelijke taken geboden ondersteuning ten onrechte geïndiceerd bij de functie ondersteunende begeleiding. Dit is met het besluit van 10 februari 2006 hersteld. Voorts wijst appellante op paragraaf 3.3 van het PGZ waarin is omschreven onder welke voorwaarden rekening wordt gehouden met de fysieke afwezigheid van de partner of de huisgenoot in verband met zijn werk. Die afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben, inherent zijn aan het werk en ten minste zeven aaneengesloten etmalen duren. In casu geval is hieraan niet voldaan.


3.2. Betrokkene voert in haar verweerschrift onder meer aan dat de ondersteuning tot doel heeft háár te laten functioneren en niet om daadwerkelijk huishoudelijke taken te verrichten en om voor de kinderen te zorgen. Het gaat om haar functioneren in brede zin waaronder ook de zorg voor de kinderen en het huishouden valt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.


4.1.2. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.


4.1.3. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 3 en 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).


4.1.4. Op grond van artikel 3 van het Besluit omvat huishoudelijke verzorging het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.

4.1.5. Blijkens de nota van toelichting bij artikel 3 van het Besluit ziet huishoudelijke verzorging op het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen. Bij deze zorg kan gedacht worden aan opruimen, schoonmaken, het verzorgen van planten en huisdieren, het bed of de bedden opmaken in situaties waarbij de verzekerde niet bedlegerig is en de maaltijd klaarmaken.


4.1.6. Ondersteunende begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit omvat ondersteunende activiteiten in verband met onder meer een psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.


4.1.7. De nota van toelichting bij artikel 6 van het Besluit vermeldt onder meer dat ondersteunende begeleiding de handicap voor gegeven aanneemt en verder bouwt op de (rest)mogelijkheden van de verzekerde. Bij die begeleiding gaat het om activiteiten die de verzekerde ondersteunen bij zijn dagindeling en zijn participatie in de maatschappij bevorderen. Daarbij kan gedacht worden aan het vergezellen van de verzekerde, het bieden van ondersteuning bij het voeren van de regie over het leven en, met name als er sprake is van een verstandelijke handicap, het bieden van een gezinsstructuur. De ondersteunende begeleiding vindt onder andere plaats door middel van ondersteunende of structurerende gesprekken en non-verbale communicatie, het oefenen van dagelijkse vaardigheden en het stimuleren van gedrag dat al bij de verzekerde aanwezig is.


4.2.1. Op grond van artikel 2, tweede (voorheen: derde) lid, van het Besluit bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, daarop redelijkerwijs is aangewezen.


4.2.2. Mede ter nadere invulling van de begrippen “doelmatige zorgverlening” en “redelijkerwijs aangewezen zijn” in artikel 2, tweede lid, van het Besluit heeft appellante beleid ontwikkeld dat is neergelegd in een reeks van protocollen, waaronder het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging (hierna: PHV) en het PGZ.


4.2.3. In paragraaf 1.4 van het PHV wordt het onderscheid tussen huishoudelijke verzorging en ondersteunende begeleiding onder meer als volgt toegelicht:

“Het verschil tussen begeleiding die onder Ondersteunende Begeleiding (OB) en/of Activerende Begeleiding (AB) valt en begeleiding bij HV is niet altijd geheel helder. De stelregel is dat begeleiding bij HV is gericht op motiveren, aansturen, instrueren en zo nodig het overnemen van het huishouden. Er is daarbij sprake van een gebrek in het organisatie-vermogen van de leefeenheid dat is ingegeven door het fysiek uitvallen van degene die dat normaal gesproken op zich neemt. Ondersteunende Begeleiding (OB) is aan de orde wanneer er structurele regieproblemen zijn die zich uiten op meerdere gebieden van het dagelijkse leven en de sociale redzaamheid in het algemeen in het geding is. Activerende Begeleiding (AB) is aangewezen als min of meer duurzame verbetering van het functioneren in het algemeen wordt beoogd.

Doorslaggevend is de doelstelling: verbeteren of handhaven van het niveau van functioneren valt onder een van de begeleidingsfuncties (ook enige sturing in het wonen en woningonderhoud valt daaronder). Als de nadruk ligt op organisatie van het onderhoud van de woning en het overnemen van enige activiteiten op het gebied van het huishouden moet HV worden geïndiceerd. In het algemeen kan gesteld worden dat problemen in de sociale redzaamheid voorsorteren op OB en AB, problemen op met name het fysieke vlak en psychosociale problemen van voorbijgaande aard op HV. De verhouding tussen de omvang van de verschillende functies is afhankelijk van de dominantie van doelstelling en activiteiten.”


4.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene door haar psychiatrische aandoening beperkingen ondervindt in het dagelijkse functioneren bij activiteiten op meerdere gebieden en in haar zelfredzaamheid in het algemeen. Blijkens de onweersproken informatie van de psychiater Lepage valt daarin vooralsnog geen verbetering te verwachten. Gelet daarop en gezien het onder 4.1.7 en 4.2.3 weergegevene merkt de Raad de onderhavige aanvraag om begeleiding bij onder meer het doen van het huishouden en de zorg voor de kinderen aan als ondersteunende begeleiding (artikel 6) en niet als huishoudelijke verzorging (artikel 3). Dat die ondersteuning ook nodig is bij het verrichten van huishoudelijke taken en bij de opvang en verzorging van de kinderen doet hier niet aan af, aangezien het zwaartepunt van de gevraagde zorg ligt bij het handhaven van het niveau van functioneren van betrokkene en het aanbrengen en behouden van structuur in haar dagindeling.


4.4. Naar aanleiding van het door appellante ter zitting van de Raad naar voren gebrachte standpunt, dat ondersteunende begeleiding erop gericht hoort te zijn dat de zorgvrager uiteindelijk zelf de huishoudelijke taken doet en dat, indien dit na inzet van een langere periode van ondersteunende begeleiding niet mogelijk is, sprake is van overname van huishoudelijke taken, en dus van een indicatie voor huishoudelijke verzorging, overweegt de Raad nog als volgt. In de AWBZ noch in de daarop berustende regelgeving heeft de Raad aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat ondersteunende begeleiding slechts tijdelijk gegeven zou kunnen worden. Hij wijst er in dit verband op dat in artikel 6 van het Besluit niet alleen sprake is van bevordering, maar ook van behoud van zelfredzaamheid. Ook in het Protocol Indicatiestelling voor Ondersteunende begeleiding is aangegeven dat het bij ondersteunende begeleiding gaat om handhaven van de zelfredzaamheid, en dat er een indicatie is voor ondersteunende begeleiding indien die begeleiding structureel noodzakelijk is.


5.1. Bij beantwoording van de vraag voor hoeveel uren zorg betrokkene in aanmerking dient te komen heeft appellante aansluiting gezocht bij het in het PGZ vervatte beleid.


5.2. Ingevolge paragraaf 1.2 van het PGZ heeft het bepalen van de aard en omvang van gebruikelijke zorg, in relatie tot een eventuele aanspraak op zorg vanwege de AWBZ, alleen betrekking op de functies huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding.


5.3. Ingevolge paragraaf 2.6 van het PGZ wordt iedere burger verondersteld naast een baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. Bij een meerpersoonshuishouden staat een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg. Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie.


5.4. Paragraaf 2.9 van het PGZ benadrukt dat, indien sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke zorg dan wel mantelzorg leveren, de indicatiesteller die huisgenoten in het kader van het indicatieonderzoek altijd persoonlijk hoort. Zo kan de indicatiesteller correct inventariseren welke taken de huisgenoot/mantelzorger uitvoert en hoe hij/zij de belasting van deze taken ervaart in relatie tot zijn/haar maatschappelijke participatie.


5.5. Ingevolge paragraaf 3.2 van het PGZ kan een indicatiesteller besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige problemen met zijn gezondheid heeft dat de betreffende taken redelijkerwijs niet door hem kunnen worden uitgevoerd. Een indicatiesteller moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig wordt belast en overbelasting dreigt.


5.6. De Raad is in de lijn van zijn uitspraak van 25 juni 2008 (LJN BD8640) van oordeel dat het onder 5.2 tot en met 5.5 vermelde beleid niet in strijd is met enige rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, voor zover het inhoudt dat van een gezonde volwassen huisgenoot wordt verwacht dat hij gebruikelijke zorg, waaronder het overnemen van huishoudelijke taken, aan de verzekerde verleent, tenzij er redenen zijn die daaraan in de weg staan zoals dreigende overbelasting van die huisgenoot. Dit brengt mee dat ook andere omstandigheden dan alleen dreigende overbelasting een belemmering voor de gezonde volwassen huisgenoot kunnen vormen om gebruikelijke zorg te verlenen. Om te kunnen vaststellen of die redenen of omstandigheden zich voordoen zal appellante per geval hiernaar gericht moeten vragen én zonodig nader onderzoek verrichten. Dit betekent dat appellante bij het onderzoek naar de vraag voor welke zorg en in welke mate een verzekerde moet worden geïndiceerd, zich niet kan beperken tot de vraag of al dan niet sprake is van dreigende overbelasting bij de gezonde volwassen huisgenoot.


5.7. Eén van de redenen die een belemmering kunnen vormen om gebruikelijke zorg te verlenen kan gelegen zijn in de omstandigheid dat van de partner of de huisgenoot, gelet op de aard, omvang en het verplichtende karakter van zijn werk, in redelijkheid niet kan worden gevergd (voortdurend) aanwezig te zijn om die gebruikelijke zorg te verlenen. In het onderhavige geval heeft appellante niet onderbouwd weersproken dat de echtgenoot door de aard van zijn bedrijf en de daaraan inherente verplichte afwezigheid ten behoeve van onder meer de verzorging van zijn veestapel, niet in staat kan worden geacht doorlopend gebruikelijke zorg aan betrokkene te verlenen. Appellante had deze omstandigheid moeten betrekken bij de vraag in hoeverre van de echtgenoot kan worden gevergd gebruikelijke zorg aan betrokkene te verlenen en op hoeveel uren zorg betrokkene is aangewezen. De stelling van appellante dat de afwezigheid van de echtgenoot als gevolg van zijn werk wel bij het onderzoek betrokken is geweest, maar dat niet voldaan is aan de in paragraaf 3.3 van het PGZ vervatte voorwaarden, faalt. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 6 januari 2009, (LJN BH1932 en BH1944) dient het in paragraaf 3.3 van het PGZ neergelegde vereiste van een afwezigheid van ten minste zeven etmalen van de huisgenoot buiten beschouwing gelaten te worden wegens strijd met de AWBZ.


5.8. Uit de informatie die door betrokkene tijdens het indicatieonderzoek aan de indicatiesteller is verstrekt komt naar voren dat de echtgenoot zijn bedrijfsvoering zodanig heeft ingericht dat hij tevens gebruikelijke zorg kan verlenen aan betrokkene en aan de kinderen. Zo heeft de echtgenoot zijn melkkoeien weggedaan, krijgt het nog wel aanwezige vee op vrijdag dusdanig veel voer dat de echtgenoot op zaterdag niet in de stal hoeft te zijn, en heeft hij bepaalde werkzaamheden die op het land moeten worden verricht uitbesteed aan een loonbedrijf. De werkzaamheden die de echtgenoot binnen zijn bedrijf uitvoert doet hij waar mogelijk op die momenten dat de kinderen slapen.


5.9. De Raad is niet gebleken dat appellante bij de indicatiestelling - ook - onderzoek heeft verricht naar de vraag of bij de echtgenoot, gelet op de door hem verleende gebruikelijke zorg aan betrokkene naast zijn aangepaste werkzaamheden in zijn bedrijf, sprake is van dreigende overbelasting. Weliswaar heeft appellante bij de huisarts informatie ingewonnen over de gezondheid van de echtgenoot, doch het verzoek om informatie aan de huisarts is algemeen van aard en niet specifiek gericht geweest op de vraag of bij de echtgenoot sprake is van dreigende overbelasting. Voorts is de echtgenoot, in strijd met het in paragraaf 2.9 van het PGZ vervatte beleid, niet in het kader van het indicatieonderzoek persoonlijk door de indicatiesteller gehoord. Dit klemt temeer nu betrokkene tijdens het onderzoek heeft meegedeeld dat haar man veel taken overneemt en zich voortdurend zwaar belast voelt door de complexe situatie. Het onderzoek is daarnaast niet gericht geweest op de vraag of bij de echtgenoot overbelasting zou kunnen ontstaan wanneer de tot dan toe geïndiceerde zorg zou worden verminderd.


5.10. De Raad is voorts niet gebleken dat appellante onderzoek heeft verricht naar de vraag in hoeverre de opvang en de begeleiding door de echtgenoot van zijn drie kinderen, in combinatie met zijn bedrijf en de zorg voor betrokkene, voor hem een belemmering vormen om nog meer gebruikelijke zorg aan de kinderen te verlenen. Het standpunt van appellante dat betrokkene ingevolge het in het PGZ neergelegde beleid ten behoeve van de opvang van de kinderen gebruik kan maken van een algemeen voorliggende voorziening in de vorm van buitenschoolse opvang doet in dit geval hier niet aan af. Hiertoe overweegt de Raad dat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting betrokkene en haar man hun kinderen vanwege de beperkingen van betrokkene al zo veel mogelijk trachten onder te brengen bij onder meer buitenschoolse opvang, maar dat betrokkene op de momenten dat de kinderen niet elders opgevangen (kunnen) worden zelf, met begeleiding, zorg voor de kinderen wil dragen. Voorts wenst betrokkene geen opvang van de kinderen, maar ondersteunende begeleiding in haar zorg voor en de omgang met haar kinderen op de momenten dat deze thuis zijn. Buitenschoolse opvang voorziet hier niet in.


5.11. Ten slotte is de Raad niet gebleken in hoeverre appellante bij het indicatieonderzoek rekening heeft gehouden met de medische verklaringen van Lepage, waaruit onder meer naar voren komt dat betrokkene zich met de verleende zorg net staande kan houden en dat het bereikte evenwicht, ook wat betreft haar omgang met de kinderen, teniet zou worden gedaan wanneer deze hulp zou wegvallen of verminderen.


5.12. Uit het onder 5.7 tot en met 5.11 overwogene vloeit voort dat het besluit van 20 juli 2006, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit besluit terecht vernietigd. De aangevallen uitspraak, en daarmee ook de door de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb getroffen voorlopige voorzieningen, komen derhalve voor bevestiging in aanmerking. Dit betekent dat appellante betrokkene tot zes weken na het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient te behandelen als ware haar een indicatie ondersteunende begeleiding klasse 7 toegekend.


5.13. De Raad ziet aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--,

te betalen door appellante;

Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.


Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en J.N.A. Bootsma en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009.


(get.) M.I. ’t Hooft.


(get.) N.L.E.M. Bynoe.


EK