Centrale Raad van Beroep, 25-02-2009 / 07-3001 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4119

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering. Er is sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. In bijzondere gevallen stelt de Raad als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Medisch onderzoek zorgvuldig. Geschiktheid geduide functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-25
Publicatiedatum
2009-03-03
Zaaknummer
07-3001 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3001 WAO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 april 2007, 06/972 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 25 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde J.R. Beukema. Voor het Uwv is verschenen mr. T.M. Snippe.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant was voltijds werkzaam als vertegenwoordiger. Vanwege whiplashklachten als gevolg van een verkeersongeval is hem met ingang van 6 juli 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.


1.2. In 2005 heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 september 2005, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan hem voorbeelden zijn voorgehouden. Vergelijking van het zogenoemde maatmanloon met het loon dat hij in de geselecteerde functies kan verdienen, resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 49%. Bij besluit van 25 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant herzien en met ingang van 24 januari 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.


1.3. Bij het besluit van 3 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 25 november 2005 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant eerst met ingang van 2 augustus 2006 herzien naar 45 tot 55%.


2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.2. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank onder meer met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit het volgende overwogen:

“In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts Visser op basis van dossieronderzoek gerapporteerd dat voor eiser ten onrechte cognitieve beperkingen zijn aangenomen en dat het maar zeer de vraag is of voor eiser überhaupt wel beperkingen dienen te worden aangenomen. Bij deze oordeelsvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts zich mede gebaseerd op informatie van onder meer neuroloog Jansen en revalidatiearts Haarsma. Deze hebben respectievelijk gerapporteerd dat bij eiser geen objectiveerbare neurologische afwijkingen kunnen worden vastgesteld (Jansen) en dat er sprake is van subjectieve klachten waarvoor geen medisch somatische oorzaak kan worden gevonden (Haarsma).

De rechtbank vindt bij deze beoordelingen geen aanwijzingen dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet is voldaan aan de in artikel 4 van het Schattingsbesluit gestelde (zorgvuldigheids)vereisten. Voor zover eiser stelt dat zijn beperkingen onvoldoende of te licht zijn vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat van de zijde van eiser – in tegenstelling tot wat hij in bezwaar en beroep heeft aangekondigd – geen objectief medisch onderbouwde informatie is overgelegd op grond waarvan de juistheid (ten nadele van eiser) van de FML van 15 september 2005 in twijfel getrokken zou moeten worden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel in bezwaar wél mede is gebaseerd op uitvoerig beschikbare objectief medische informatie. Aangezien dit laatste oordeel veel strenger voor eiser uitpakt dan het primaire medische oordeel mag eiser zich in zekere zin gelukkig achten dat niet reeds dit primaire oordeel veel kritischer is geweest, en dat verweerder bij zijn verdere besluitvorming is uitgegaan van dit primaire oordeel. Hoewel derhalve moet worden betwijfeld of de opgestelde FML als een reële weergave van eisers beperkingen kan worden aangemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding het bestreden besluit om die reden te vernietigen aangezien een en ander ten voordele van eiser heeft gewerkt. De rechtbank zal dan ook in rechte van de juistheid van de medische beoordeling uitgaan.”


2.3. De rechtbank heeft de vraag of appellant, uitgaande van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 15 september 2005, in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te verrichten, bevestigend beantwoord. Voorts heeft zij geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat en waarom de rechtbank het begrip arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO onjuist uitlegt. Hij heeft volhard in zijn stelling dat hij zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat hij gelet op zijn beperkingen niet in staat is aan de functiebelastingen van de voorgehouden functies te kunnen voldoen.


3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.


4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.2. De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 3 oktober 2008, LJN BF6777, dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.


4.3. Met inachtneming van dit uitgangspunt kan de Raad zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Hij onderschrijft de in 2.2 geciteerde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. Evenals in beroep heeft appellant ook in hoger beroep op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zijn belastbaarheid verder beperkt is dan door het Uwv met de FML van 15 september 2005 is aangenomen. Noch in beroep noch in hoger beroep heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt een medisch stuk in het geding gebracht, dat een ander licht zou kunnen werpen op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling.


4.4. Voor de Raad staat genoegzaam vast dat de bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellant liggen.


4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.


(get.) C.P.M. van de Kerkhof.


(get.) M.A. van Amerongen.


TM