Centrale Raad van Beroep, 19-02-2009 / 07-4146 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH4549

Inhoudsindicatie
Disciplinair strafontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Het vastgestelde plichtsverzuim - het beheer van het fiscale dossier, het bevoordelen van een familielid, het verrichten van verboden nevenwerkzaamheden en het daarvoor aannemen van een beloning - raakt de kern van het functioneren als belasting-ambtenaar.en dient daarom als zeer ernstig te worden gekwalificeerd. De straf van ontslag niet onevenredig aan de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim, ondanks het wegvallen van één van de verwijten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-19
Publicatiedatum
2009-03-05
Zaaknummer
07-4146 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/4146 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juni 2007, 06/3526 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Staatssecretaris van Financiën als rechtsopvolger van de Minister van Financiën (hierna: staatssecretaris)


Datum uitspraak: 19 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. Tijsseling, advocaat te Utrecht. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.G. van Asperen, werkzaam bij het ministerie van Financiën.


II. OVERWEGINGEN


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de Belastingdienst [regio]. Hoofdtaken van zijn functie waren het invorderen van verschuldigde belastingen, bij teruggave van belastinggelden te controleren op de mogelijkheid van verrekening met openstaande aanslagen en te zorgen voor uitvoering van die verrekening.

Bij strafrechtelijk onderzoek bij een bedrijf dat vermoedelijk gebruik had gemaakt van valse facturen, is de laptop van G.J., enig aandeelhoudster van een vennootschap, in beslag genomen. In die laptop werd e-mailcorrespondentie aangetroffen tussen G.J. en appellant, op grond waarvan het vermoeden rees dat appellant zich aan plichtsverzuim had schuldig gemaakt. Bij het onderzoek bleek dat G.J. een familielid van appellant is.


1.2. Na verkregen toestemming om de processen-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken en verkregen ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht, is een disciplinair onderzoek ingesteld. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat appellant bij besluit van 3 augustus 2006 wegens zeer ernstig plichtsverzuim disciplinair is gestraft met ontslag.

Aan appellant wordt verweten:

- dat hij in strijd met het bestaande beleid posten van een familielid heeft behandeld en door het niet verrekenen van teruggaves met openstaande aanslagen zowel G.J. als haar bedrijf heeft bevoordeeld;

- dat hij ten behoeve van G.J. fiscale nevenwerkzaamheden heeft verricht;

- dat hij zich heeft laten omkopen dan wel dat hij de fiscale werkzaamheden tegen betaling heeft verricht;

- dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door het bankrekeningnummer van uitzendbureau O. aan G.J. door te geven ten behoeve van het opmaken van valse facturen voor de administratie van haar bedrijf.


2. Met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft appellant rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 augustus 2006 ongegrond verklaard.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep erkend dat hij werkzaamheden heeft verricht in het dossier van G.J. en haar bedrijf en dat hij enkele terugbetalingen niet heeft verrekend met openstaande belastingschulden. Volgens appellant heeft hij dat in goed vertrouwen gedaan omdat de boekhouder van G.J. belastingaangifte zou hebben gedaan waaruit zou blijken dat geen belasting zou hoeven te worden betaald. Appellant blijft echter ontkennen dat hij verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht en dat hij belastingformulieren voor G.J. heeft ingevuld. Voorts ontkent hij dat hij betaling in welke vorm dan ook heeft ontvangen. De musicalkaarten waarvan blijkt uit de gedingstukken ontving hij als dank voor het onderdak dat hij G.J. jaren eerder had verleend toen zij van huis was weggelopen. Ook ontkent hij dat hij rekeningnummers van bedrijven aan G.J. heeft verstrekt en daarmee zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De wel erkende gedragingen vormen volgens appellant weliswaar plichtsverzuim, maar vormen in onderling verband bezien geen zeer ernstig plichtsverzuim, temeer nu de Staat niet is benadeeld en G.J. niet is bevoordeeld. Appellant acht daarom de straf van ontslag onevenredig.


3.2. De staatssecretaris heeft in verweer zijn standpunten gehandhaafd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.


4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en goeddeels de gronden waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Ook voor de Raad staat vast dat appellant in strijd met de geldende regels en voorschriften en ondanks dat hij daarop door zijn collega’s is aangesproken, het beheer is blijven voeren over de fiscale aangelegenheden van G.J. en haar bedrijf. Het feit dat hij de dossiers van andere bekenden, bijvoorbeeld uit de kerkgemeenschap waarvan hij deel uitmaakt, wel overdroeg laat zien dat appellant zich ervan bewust was dat dit niet juist was. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat appellant, toen hij in 2003 de - door hem erkende - terugbetalingen deed zonder deze te verrekenen met openstaande vorderingen, niet heeft gehandeld in goed vertrouwen of uit naïviteit. In de eerste plaats geldt dat controle op verrekenmogelijk-heden tot de kerntaken van de invorderaar behoort. Voor uitbetaling aan G.J. en haar bedrijf gold bovendien ten tijde van belang een blokkade die appellant alleen door actief handelen kon passeren. Ook staat voldoende vast dat de Staat door die uitbetalingen is benadeeld; de Raad heeft geen grond om te twijfelen aan de stelling van de staatssecretaris dat de vorderingen nadien oninbaar zijn gebleken.


4.2. De Raad heeft evenmin aanleiding om te twijfelen aan het verwijt van de staatssecretaris dat appellant verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht in de vorm van - tenminste eenmaal - het invullen van de aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het bedrijf van G.J. Het standpunt van appellant dat hij daarvoor de kennis niet heeft is door de staatssecretaris betwist met verwijzing naar het hbo-niveau van appellant. Zeker nu het om een klein bedrijf ging volgt de Raad de conclusie die de staatssecretaris heeft getrokken uit de opmerking van G.J. dienaangaande in haar e-mail van 24 maart 2004.


4.3. Dat appellant zich zou hebben laten omkopen om handelingen te verrichten in strijd met zijn ambtsverplichtingen volgt de Raad niet. Daarvoor bevatten de gedingstukken geen aanwijzingen. Wel volgt de Raad het standpunt van de staatssecretaris dat appellant zich voor zijn diensten heeft laten belonen. Dit blijkt onmiskenbaar uit de inhoud van de e-mails van G.J. van september 2003. Dat de ontvangen beloningen anders dan naar voren komt uit de e-mails verband hielden met het aan G.J. in eerdere jaren verleende onderdak, heeft appellant op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.

4.4. Voor de Raad staat het echter onvoldoende vast dat het appellant is geweest die het bankrekeningnummer van het uitzendbureau O., dat G.J. heeft gebruikt voor de valse facturen, aan G.J. heeft verstrekt. Weliswaar is daarvoor een aanwijzing te vinden in een e-mailwisseling van 30 maart 2004 van G.J. met haar boekhouder, maar nu het niet om een geheim gegeven gaat - een bankrekeningnummer staat immers op elke factuur van een bedrijf vermeld - zijn er zoveel andere mogelijkheden denkbaar waarop G.J. het bankrekeningnummer kan hebben verkregen, dat de Raad die enkele aanwijzing onvoldoende acht.


4.5. Met betrekking tot de (on)evenredigheid van de opgelegde straf overweegt de Raad dat het wél vastgestelde plichtsverzuim van appellant - het beheer van het fiscale dossier, het bevoordelen van een familielid, het verrichten van verboden nevenwerkzaamheden en het daarvoor aannemen van een beloning - de kern van zijn functioneren als belasting-ambtenaar raakt en daarom als zeer ernstig dient te worden gekwalificeerd. De Raad acht daarbij voorts van belang dat uit het geheel van de beschikbare gegevens, in onderling verband en samenhang beschouwd, genoegzaam blijkt dat appellant zich er ten tijde van belang van bewust was dat hij de grenzen van het toelaatbare overschreed en dat hij G.J. in strijd met zijn verplichtingen bevoordeelde. Dit blijkt voor de Raad uit het gebruik van de privé-e-mailadressen wanneer hem om gunsten werd gevraagd, alsook uit het feit dat als G.J. hem op kantoor belde, het gesprek in de Surinaamse taal overging.

De Raad acht dan ook - ondanks het wegvallen van één van de verwijten - evenals de rechtbank de straf van ontslag niet onevenredig aan de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.


5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten,


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.


(get.) J.G. Treffers.


(get.) P.W.J. Hospel.


HD