Centrale Raad van Beroep, 25-02-2009 / 07-4318 WAO + 07-4319 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BH6190

Inhoudsindicatie
Korting op en terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Het Uwv was bevoegd de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over appellants inkomsten in de perioden in geding vallen binnen de risicosfeer van appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-02-25
Publicatiedatum
2009-03-17
Zaaknummer
07-4318 WAO + 07-4319 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/4318 WAO

07/4319 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 juni 2007, 07/182 en 07/183 (hierna: aangevallen uitspraak),


in de gedingen tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 25 februari 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant is verschenen met bijstand van zijn raadsvrouw, mr. E. van Wolde, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak. Als meegebrachte getuige is gehoord [getuige], wonende te [plaatsnaam].


II. OVERWEGINGEN


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is met ingang van 25 november 1982 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2. Naar aanleiding van een tip is een onderzoek ingesteld door het directoraat Fraude Preventie en Opsporing van het Uwv. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 april 2006. Op 19 april 2006 is appellant over zijn werkzaamheden gehoord door een medewerker van de juist vermelde dienst. Appellant heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij inkomsten heeft genoten zonder deze op te geven aan het Uwv. Naar aanleiding van de in het onderzoek naar voren gekomen informatie is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant daartoe onderzocht, waarna een arbeidsdeskundige tot de conclusie is gekomen dat appellant onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.


1.3. Bij besluit van 11 september 2006 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant als volgt zal worden uitbetaald: van 5 april 2002 tot en met 31 maart 2003 als was appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 25 tot 35%; van 1 september 2003 tot en met 29 februari 2004 naar een mate van 55 tot 65%; van 1 mei 2004 tot en met

25 juli 2004 van 15 tot 25%; van 26 juli 2004 tot en met 12 januari 2006 van 45 tot 55% en van 13 februari 2006 tot en met 18 april 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 35.905,98 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 11 september 2006 en 5 oktober 2006 heeft het Uwv bij afzonderlijke besluiten van 8 februari 2007 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 8 februari ongegrond verklaard.


3. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


3.1. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten die hij niet heeft opgegeven aan het Uwv. Het geschil tussen partijen spitst zich in eerste aanleg zowel als in hoger beroep toe op de vraag of het Uwv de inkomsten uit arbeid op juiste wijze heeft vastgesteld. Zich beperkend tot dat punt van geschil constateert de Raad dat de gronden die appellant in hoger beroep daaromtrent heeft aangevoerd gelijk zijn aan die welke hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. De Raad is van oordeel dat de rechtbank die gronden terecht heeft verworpen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen. De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting nog het volgende.


3.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten uit arbeid te verstrekken, bevoegd is om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek vooraf moeten gaan en daarbij de nodige zorgvuldigheid moeten worden betracht teneinde tot een vaststelling te komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. De Raad wijst er op dat de gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over appellants inkomsten in de perioden in geding binnen de risicosfeer van appellant vallen. Het onderzoek dat aan de onderhavige besluitvorming vooraf is gegaan acht de Raad voldoende zorgvuldig. De schatting die het Uwv heeft gemaakt van appellants inkomsten uit arbeid is het resultaat van een berekening waarbij hetgeen appellant verklaart per uur te hebben ontvangen is vermenigvuldigd met het aantal uren dat appellant volgens het Uwv gedurende een aantal perioden aan verschillende bouwprojecten heeft gewerkt. De omvang van de bedoelde werkzaamheden heeft het Uwv afgeleid uit verklaringen van appellant en diverse andere bij de bouwprojecten betrokken personen. Appellant heeft nagelaten voldoende concrete verifieerbare gegevens te verschaffen, op grond waarvan aannemelijk is dat die berekening onjuist is. Hetgeen de getuige [getuige] ter zitting heeft verklaard acht de Raad onvoldoende voor twijfel aan de juistheid van die berekening. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat niet is gebleken dat [getuige] zijn verklaring heeft vergezeld doen gaan van een voldoende accurate administratie van hetgeen appellant voor hem aan arbeid heeft verricht en de inkomsten die appellant met die arbeid heeft verworven. Verder deelt de Raad de bedenking die de rechtbank heeft verwoord over de overtuigingskracht van de verklaring van deze getuige, nu deze een van de opdrachtgevers van appellant is geweest en niet uitgesloten is dat hij belang heeft of meent te hebben bij een zo laag mogelijke schatting van de bedragen die hij appellant heeft gegeven. Daarbij komt dat de verklaring van [getuige] slechts betrekking kan hebben op een beperkt deel van appellants niet opgegeven activiteiten, omdat appellant ook andere werkzaamheden heeft verricht dan voor [getuige].


3.3. Hetgeen in 3.1 en 3.2 is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4. Er is geen aanleiding voor de veroordeling van een der partijen in de proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) T.J. van der Torn.


TM