Centrale Raad van Beroep, 19-03-2009 / 07-1809 MAW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH8669

Inhoudsindicatie
Eervol ontslag. Ongeschikt voor de verdere vervulling van de militaire dienst. Bevestiging jurisprudentie met betrekking tot het dispensatiebeleid bij beperkte medische inzetbaarheid. Ook in het geval van appellant is naar het oordeel van de Raad geen sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden, dat de Kroon rechtens gehouden zou zijn om af te wijken van dit beleid. Hierbij is ook van belang dat appellant per de datum van zijn ontslag als militair, is aangesteld als burgerambtenaar in de functie van arbo-coördinator bij de staf van het Opleidings- en Trainingscommando. Bevoegdheidsgebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-19
Publicatiedatum
2009-03-30
Zaaknummer
07-1809 MAW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2009/198
Uitspraak

07/1809 MAW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2007, 05/3096 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie (verder: staatssecretaris)



Datum uitspraak: 19 maart 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.


Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.


Bij brief van 15 januari 2009 heeft de Kroon desgevraagd de staatssecretaris alsnog machtiging verleend om overeenkomstig het op 5 april 2005 genomen besluit op de bezwaren van appellant te beslissen en de Kroon te vertegenwoordigen in de procedure bij de Raad.


Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting en heeft de Raad het onderzoek gesloten.



II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is in 1984 aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd en aansluitend voor onbepaalde tijd. In 1995 heeft appellant als pelotonscommandant van de B-cie, Dutchbat III, deelgenomen aan de missie UNPROFOR in het voormalig Joegoslavië. In 1998/1999 is hij uitgezonden naar Cyprus, tijdens welke uitzending appellant is bevorderd naar de rang van kapitein. Vanwege psychische problemen is appellant tijdens die laatste uitzending gerepatrieerd.


1.2. Appellant heeft na een periode van arbeidsongeschiktheid de dienst hervat, aanvankelijk op basis van arbeidstherapie in verband waarmee hij bij besluit van 20 juni 2000 is gedetacheerd bij een Schoolcompagnie.


1.3. Bij besluit van 22 maart 2001 is aan appellant meegedeeld dat naar aanleiding van de conclusie van een medische keuring, inhoudende dat hij vermoedelijk dienstongeschikt is, verzocht zal worden appellant aan een Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO) te onderwerpen. Bij dit besluit is verder aangekondigd dat appellant zal worden overgeplaatst naar de Individuele Begeleidingsdienst Koninklijke landmacht (IBDKL) en dat de ontslagbeschermingstermijn zal lopen tot 22 maart 2003. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluiten van 14 en 25 maart 2002 ongegrond verklaard.


1.4. Op 11 oktober 2002 is appellant onderworpen aan een MGO. Bij brief van 7 mei 2003 is aan appellant meegedeeld dat hij door de Geneeskundige Commissie van de Verzekeringsgeneeskundige Dienst KL (VGDKL) ongeschikt is bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst. Appellant heeft verzocht om een herhaald MGO, dat heeft plaatsgevonden op 27 juni 2003. Bij brief van 31 oktober 2003 is aan appellant meegedeeld dat hij ook door de Geneeskundige Commissie van de VGDKL ongeschikt is bevonden voor de verdere vervulling van de militaire dienst.


1.5. Bij koninklijk besluit van 27 november 2003 is aan appellant met ingang van 1 januari 2004 eervol ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Appellant is met ingang van 1 januari 2004 aangesteld als burgerambtenaar in vaste dienst bij het ministerie van Defensie. Het door appellant tegen het besluit van 27 november 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van de staatssecretaris van 1 april 2005 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het door appellant tegen laatstgenoemd besluit (verder: bestreden besluit) ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak de Kroon als procespartij aangemerkt.


3. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn grief dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, buiten beschouwing heeft gelaten. Appellant is van mening dat hij weliswaar medisch blijvend ongeschikt is bevonden voor de militaire dienst, maar dat aan hem ten onrechte geen dispensatie is verleend. Hierbij is verwezen naar een brief van de (toenmalige) Bevelhebber der Landstrijdkrachten van 29 oktober 1993, nummer KL 15.399, en het daarin opgenomen ruimhartig dispensatiebeleid voor de gevallen waarin militairen dienstongeschikt worden door de gevolgen van uitzending, alsook naar de lange en goede staat van dienst van appellant. Appellant zou op een functie geplaatst kunnen worden waarin hij niet wordt uitgezonden. Verder is aangevoerd dat de rechtbank het in het kader van het dispensatiebeleid gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd en dat dit dispensatiebeleid niet consequent wordt toegepast.


4. De staatssecretaris heeft in verweer aangevoerd dat de voor iedere militair geldende eis van inzetbaarheid voor uitzending in beginsel niet toelaat om een medisch ongeschikte militair in dienst te handhaven en dat het dispensatiebeleid zeer terughoudend en onder zeer specifieke omstandigheden wordt toegepast. Als voorbeelden zijn genoemd de situatie waarin de ziekte of het gebrek van de militair het rechtstreekse gevolg is van de uitoefening van de militaire dienst in een oorlogssituatie of daarmee vergelijkbare omstandigheden, en medisch ongeschikte militairen voor wie het ontslag zou ingaan kort voor hun pensionering. Van dergelijke omstandigheden was volgens de staatssecretaris in het geval van appellant geen sprake. Bij de stelling van appellant dat de dienstongeschiktheid is ontstaan door de dienst zijn kanttekeningen geplaatst, maar zelfs als het verband met de dienst wel aanwezig zou zijn, acht de staatssecretaris geen verplichting tot het verlenen van dispensatie aanwezig, met name omdat appellant blijvend ongeschikt is voor uitzending. Ten slotte is gemotiveerd ingegaan op het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. Allereerst stelt de Raad vast dat het onderhavige ontslag overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving bij koninklijk besluit is verleend. Uit het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat op het door appellant ingediende bezwaar eveneens bij koninklijk besluit moet worden beslist. Het bestreden besluit is echter genomen door de staatssecretaris, hetgeen in de eerste plaats meebrengt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte de Kroon en niet de staatssecretaris als procespartij heeft aangemerkt. Het betekent voorts dat de staatssecretaris niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen, zodat dit besluit dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten komt op die grond voor vernietiging in aanmerking.


5.2. Nu de Kroon bij brief van 15 januari 2009 de staatssecretaris alsnog heeft gemachtigd tot het beslissen op de bezwaren tegen het ontslagbesluit op de wijze als in het bestreden besluit reeds was geschied en daarmee het bestreden besluit voor haar rekening heeft genomen, zal de Raad onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.


5.3. De Kroon heeft het standpunt ingenomen dat appellant ten tijde in geding als gevolg van psychische klachten niet langer voldeed aan de in het Militair Keuringsreglement opgenomen eisen, met name de eis van het functioneren tijdens operationele omstandigheden zoals bij uitzendingen. De Raad stelt met de rechtbank vast dat de artsen die appellant in het kader van het MGO en het herhaald MGO hebben onderzocht, hebben geoordeeld dat appellant als gevolg van ziekte niet uitzendbaar is. Het in bezwaar door appellant overgelegde rapport van dr. D.A. Jones werpt weliswaar een ander licht op de oorzaak van de psychische klachten van appellant, maar geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat sprake is van een blijvende onmogelijkheid om te worden uitgezonden. Op grond hiervan is appellant in beginsel dienstongeschikt en is de Kroon bevoegd om appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR te ontslaan.


5.4. Met betrekking tot het dispensatiebeleid bij beperkte medische inzetbaarheid, zoals neergelegd in de onder 3 genoemde brief van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten, wordt overwogen dat de Raad al in zijn uitspraak van 5 juni 2003, LJN AN8520 en TAR 2003, 159, heeft geoordeeld dat daarmee niet is getreden buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Bij dat beleid is bepaald dat de eis van inzetbaarheid voor uitzending voor iedere militair geldt en dat een om medische redenen niet langer uitzendbare militair, ook als de ongeschiktheid door de dienst is veroorzaakt, niet in de dienst kan worden gehandhaafd.


5.5. Ook in het geval van appellant is naar het oordeel van de Raad geen sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden, dat de Kroon rechtens gehouden zou zijn om af te wijken van dit beleid. Hierbij is ook van belang dat appellant per de datum van zijn ontslag als militair, is aangesteld als burgerambtenaar in de functie van arbo-coördinator bij de staf van het Opleidings- en Trainingscommando.


5.6. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat bij het niet verlenen van dispensatie in zijn geval, sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van andere gevallen dan wel van een inconsistente toepassing van het dispensatiebeleid. Hiervoor zijn van de zijde van appellant onvoldoende concrete gegevens aangedragen die doen twijfelen aan het standpunt van de Kroon dat bij ongeschiktheid tot uitzending in principe geen dispensatie wordt verleend en dat het ene concrete geval dat door appellant is genoemd niet vergelijkbaar is met dat van appellant. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat de Kroon tot een verdergaande onderbouwing van zijn standpunt had moeten overgaan. Dat inmiddels met ingang van 1 januari 2007 op operationeel commandoniveau een ander beleid met betrekking tot het verlenen van dispensatie bij medische beperkingen tot stand is gekomen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Overigens is van de zijde van de Kroon ter zitting meegedeeld dat op basis van dit nieuwe beleid nog geen dispensatie is verleend aan militairen met een psychische ziekte of gebrek.


5.7. Gezien het vorenstaande treffen de inhoudelijke grieven van appellant tegen het bestreden besluit geen doel. De rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit kunnen dus in stand gelaten worden.


6. In hetgeen onder 5.1 is overwogen vindt de Raad aanleiding de Kroon op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 483,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten;

Veroordeelt de Kroon in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.127,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 352,- vergoedt.


Aldus gegevens door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.



(get.) J.G. Treffers.



(get.) P.W.J. Hospel.




HD