Centrale Raad van Beroep, 10-03-2009 / 07-4586 WWB + 07-4587 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BH8901

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand op de grond dat appellanten niet woonachtig zijn op het adres waar zij bij de GBA staan ingeschreven. Appellanten verblijven in de in geding zijnde periode rechtmatig in Nederland. Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten een vergunning tot verblijf hebben gekregen op basis van de zogeheten Generaal Pardon-regeling. Het enkele feit dat het feitelijke woonadres van appellanten niet bekend is in de specifieke omstandigheden van dit concrete geval is onvoldoende grond om te concluderen dat hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Er kan van worden uitgegaan dat appellanten in de in geding zijnde periode in de opgegeven woonplaats woonden en, behoudens de financiële bijdrage van de Stichting, niet beschikte over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Gelet op het feit dat de Stichting de voorwaarde stelt dat de adressen van de (wisselende) opvangplaatsen niet bekend worden gemaakt aan derden en op het risico van mogelijke toekomstige uitzetting door de IND, kan appellanten niet worden tegengeworpen dat hun ouders hun feitelijke woonadres niet hebben verstrekt. Het College heeft geen gebruik gemaakt van het namens de familie consequent gedane aanbod om, desgewenst in persoon, nadere voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke informatie te verstrekken. Het College heeft het standpunt dat het recht op bijstand van appellanten niet kan worden vastgesteld niet deugdelijk gemotiveerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-10
Publicatiedatum
2009-03-31
Zaaknummer
07-4586 WWB + 07-4587 WWB
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

07/4586 WWB + 07/4587 WWB


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


A. [B.], wettelijk vertegenwoordigd door M. [B.], en S. [B.], wettelijk vertegenwoordigd door D. [B.], beiden wonende te Eindhoven (hierna: appellanten),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 juni 2007, 06/4461 en 06/4465 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellanten


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)


Datum uitspraak: 10 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad toegezonden.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Voor appellanten is verschenen mr. Van de Wiel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. De leden van de familie [B.], bestaande uit de ouders D. [B.] en N. [B.], de minderjarige dochter S. [B.] en de meerderjarige dochter M. [B.] met haar zoontje A. [B.], hebben de Bosnische nationaliteit. Op 31 augustus 2005 heeft de familie [B.] aanvragen voor een verblijfsvergunning gedaan, waarvan zij de beslissing in Nederland mochten afwachten. Hangende deze procedure heeft de familie [B.] met hulp van de Stichting Vluchtelingen in de Knel (hierna: Stichting), met een beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind, Trb.1990,170 (IVRK), namens appellanten op 6 januari 2006 verzocht om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ter voorziening in de primaire levensbehoeften van de twee minderjarige, in 1991 en 2004 geboren, kinderen. Bij de aanvragen is als adres opgegeven het adres van de Stichting, Hoogstraat 301b te Eindhoven.


1.2. Bij besluiten van 22 maart 2006 heeft het College de aanvragen om bijstand met toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WWB afgewezen op de grond dat appellanten niet woonachtig zijn op het adres waar zij bij de GBA staan ingeschreven. In de onderliggende rapportage van 22 maart 2006 is vermeld: “Nu het sowieso niet mogelijk is om b.v. een huisbezoek af te leggen en betrokkene[n] ten onrechte ingeschreven staat[n] op het adres Hoogstraat 301b, is het niet nodig om alles op te vragen en vervolgens af te wijzen. Dit zou betrokkenen alleen maar frustreren.”


1.3. In het tegen deze besluiten gerichte bezwaarschrift is aangevoerd dat appellanten wel degelijk in Eindhoven wonen. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar een brief van de Stichting van 9 juni 2006, waarin is verklaard dat de familie [B.] in de gemeente Eindhoven woont en dat voor nadere informatie contact kan worden opgenomen met de Stichting. Mede gelet op het feit dat het door de Dienst Bevolking van de gemeente Eindhoven wordt geaccepteerd dat mensen die onder de hoede van de Stichting in Eindhoven verblijven op het adres van de Stichting staan ingeschreven, had naar het oordeel van appellanten niet volstaan kunnen worden met de enkele conclusie dat op dat adres niemand woont en nader onderzoek reeds daarom geen zin zou hebben. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006, LJN AV0197, hebben appellanten het College verzocht om alsnog een onderzoek in te stellen naar de vraag of sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Daarbij is aangegeven dat de benodigde informatie over de familie kan worden verkregen via de Stichting of de raadsman, en dat appellanten en hun ouder(s) ook bereid zijn om zelf een toelichting op hun levensomstandigheden te geven. In aanvulling hierop heeft de Stichting op 13 juni 2006 schriftelijk verklaard dat de familie [B.] geen inkomen heeft, door haar verblijfsrechtelijke status ook niet in haar eigen inkomen kan voorzien, en dat de Stichting voorziet in de eerste levensbehoeften van de familie. Bij de hoorzitting is aangegeven dat appellanten hun werkelijke verblijfadres niet in de GBA willen laten registreren, omdat de IND daar ook toegang toe heeft en dit zou kunnen gebruiken om (toekomstige) uitzetting te effectueren.


1.4. Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 22 maart 2006 ongegrond verklaard. Het besluit berust op de overweging dat appellanten op grond van de in artikel 17 van de WWB opgenomen inlichtingenplicht gehouden zijn om informatie te geven over hun feitelijke woonadres, teneinde het College in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of er recht op bijstand bestaat. De redenen waarom gebruik is gemaakt van het correspondentieadres van de Stichting doen hieraan niet af, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld als niet bekend is waar het woonadres is van de familie [B.]. Pas als de feitelijke woon- of verblijfplaats bekend is kan worden beoordeeld of appellanten bijstandbehoevend zijn.


1.5. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 oktober 2006. Daarbij is benadrukt dat via de Stichting alle noodzakelijke informatie kan worden verkregen omtrent de vraag of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Verder is aangegeven dat de Stichting een onafhankelijke organisatie is, die mensen die in een schrijnende situatie verkeren maximaal een jaar opvang biedt door hen onder te brengen in verschillende slooppanden. De Stichting stelt aan de hulp als voorwaarde dat de opvangadressen niet aan derden, waaronder overheidsinstanties, worden verstrekt. Bij brief van 15 september 2006 heeft de Stichting meegedeeld dat de familie [B.] sinds september 2005 wordt opgevangen en dat aan hen een bedrag voor leef- en eetgeld wordt verstrekt van € 107,-- per week. Voorts wordt geholpen bij het verkrijgen van medisch noodzakelijke zorg.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

3 oktober 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu geen inlichtingen zijn verstrekt over de feitelijke verblijfplaats van appellanten, niet kan worden vastgesteld of er jegens het College recht op bijstand bestaat.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het enkele feit dat hun feitelijke adresgegevens niet bekend zijn als zodanig niet kan leiden tot een weigering van bijstand, maar dat doorslaggevend is of daardoor het recht op bijstand al dan niet kan worden vastgesteld. Ten onrechte heeft het College geen enkele poging ondernomen om via de Stichting helderheid te verkrijgen over de woonsituatie en de financiële omstandigheden van de familie [B.].


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 11 van de WWB is bepaald wie rechthebbende is op bijstand ingevolge deze wet. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat de leden van de familie [B.] geen vreemdelingen zijn als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, en geen recht hebben op bijstand.


4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kunnen burgemeester en wethouders gelet op alle omstandigheden aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Artikel 16, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.


4.3. In zijn uitspraak van 24 januari 2006 heeft de Raad met het oog op de aanvaardbaarheid van toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) rechtmatig in Nederland verblijven maar niet in Nederland zijn toegelaten, en gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet hier te lande verblijven. De Raad heeft de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op deze laatste categorie van kinderen in beginsel een evenredig middel geacht ter verwezenlijking van de doelstellingen van de koppelingswetgeving. De toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven maar niet tot Nederland zijn toegelaten heeft de Raad in het licht van het IVRK echter niet zonder meer een evenredig middel geacht om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken. Hoewel de Nederlandse staat deze kinderen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, heeft hij welbewust aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Aldus heeft de Nederlandse staat ook welbewust een zekere, uit het IVRK voortvloeiende, zorgplicht ten opzichte van juist deze kinderen op zich genomen, zonder daarbij overigens iets af te doen aan de verantwoordelijkheid van de ouders van deze kinderen.


4.4. Mede gelet op de namens appellanten aan de Raad toegezonden nadere stukken is tussen partijen niet in geschil, en staat ook voor de Raad vast, dat appellanten in de in geding zijnde periode rechtmatig in de zin als bedoeld onder 4.3, in Nederland verbleven. Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten in 2007 een vergunning tot verblijf hebben gekregen op basis van de zogeheten Generaal Pardon-regeling. Voorts staat vast dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met ingang van 1 januari 2007 in het kader van de Regeling verstrekkingen aan bepaalde categorieën vreemdelingen aan appellanten per maand een bedrag heeft toegekend van € 216,-- per persoon.


4.5. De kernvraag in deze zaak is of de omstandigheid dat het feitelijke woonadres van appellanten niet bekend is gemaakt er aan in de weg staat dat hun recht op bijstand over 2006 wordt vastgesteld. Is dat niet het geval dan moet toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB jegens appellanten een onevenredig middel worden geacht om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken.


4.6. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is iemand die aanspraak maakt op bijstand verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering van bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.


4.7. Naar het oordeel van de Raad is het enkele feit dat het feitelijke woonadres van appellanten niet bekend is in de specifieke omstandigheden van dit concrete geval onvoldoende grond om te concluderen dat hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.


4.8. De gemachtigde van het College heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de door de Stichting - die door het College in 2007 is betrokken bij de uitvoering van het Generaal Pardon - over de familie [B.] bij brieven van 9 juni 2006, 13 juni 2006 en 15 september 2006 verstrekte informatie onjuist zou zijn. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat de familie [B.] in de in geding zijnde periode in Eindhoven woonde en, behoudens de financiële bijdrage van de Stichting, niet beschikte over middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.


4.9. De Raad is verder van oordeel dat het, gelet op het feit dat de Stichting de voorwaarde stelt dat de adressen van de (wisselende) opvangplaatsen niet bekend worden gemaakt aan derden en op het risico van mogelijke toekomstige uitzetting door de IND, appellanten niet kan worden tegengeworpen dat hun ouders hun feitelijke woonadres niet hebben verstrekt.


4.10. De Raad heeft ook mee laten wegen dat, anders dan doorgaans bij een aanvraag om algemene bijstand het geval is, niet mede bijstand is gevraagd voor de kosten van huisvesting en andere vaste lasten, maar (slechts) voor de kosten van elementaire levensbehoeften van appellanten, zoals voeding, kleding, onderwijs en eventuele medische kosten.


4.11. Het College heeft ten slotte geen gebruik gemaakt van het namens de familie [B.] consequent gedane aanbod om, desgewenst in persoon, nadere voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke informatie te verstrekken.


4.12. Op grond van het onder 4.2 tot en met 4.11 overwogene komt de Raad tot de slotsom dat het standpunt van het College dat het recht op bijstand van appellanten niet kan worden vastgesteld niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het College zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van de door appellanten in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,--, alsmede in de proceskosten van appellanten, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 oktober 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente Eindhoven;

Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Th.C. van Sloten en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.



(get.) R.H.M. Roelofs.



(get.) J. Waasdorp.



IJ