Centrale Raad van Beroep, 18-03-2009 / 08-1813 WW


ECLI:NL:CRVB:2009:BH9293

Inhoudsindicatie
Vergoeding opleidingskosten. Is betrokkene ten onrechte niet in aanmerking gebracht voor een volledige vergoeding van de door hem gemaakte opleidingskosten. De Raad stelt vast dat hoofdstuk VI van de WW, dat ziet op re-integratiemaatregelen, geen wettelijke grondslag biedt om de kosten van een opleiding die reeds voor de aanvraag is genoten, te vergoeden. Subsidiair, namelijk voor zover sprake zou zijn van enige verwijtbaarheid bij betrokkene, is betrokkene van mening dat in ieder geval de helft van de opleidingskosten voor vergoeding in aanmerking komt. Partijen hebben niet kunnen aangeven op basis van welke wettelijke bepaling aanspraak bestaat op de gevraagde vergoeding. De Raad is dan ook van oordeel dat betrokkene met het hem ten titel van schadevergoeding toegekende bedrag zeker niet tekort is gedaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-18
Publicatiedatum
2009-04-01
Zaaknummer
08-1813 WW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/1813 WW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2008, 07/1196 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 18 maart 2009.


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


2. Appellant heeft met behoud van zijn WW-uitkering in 2003 en 2004 een post-HBO opleiding tot professioneel trainer/coach gevolgd aan de JJ Trainers Academie te Deventer. Op 18 november 2005 heeft appellant het Uwv gevraagd de kosten van deze opleiding aan hem te vergoeden. Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt en - nadat het Uwv het bezwaar ongegrond heeft verklaard - beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen. Bij het bestreden besluit van 11 mei 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2006 gehandhaafd.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover aan appellant geen schadevergoeding is toegekend. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en het Uwv veroordeeld tot een schadevergoeding van € 5.000,- te betalen aan appellant. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust.


4. In hoger beroep voert appellant aan dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een volledige vergoeding van de door hem gemaakte opleidingskosten van € 12.120,-. Subsidiair, namelijk voor zover sprake zou zijn van enige verwijtbaarheid bij appellant, is appellant van mening dat in ieder geval de helft van de opleidingskosten voor vergoeding in aanmerking komt.


5. De Raad overweegt het volgende.


5.1. Ter zitting hebben partijen niet kunnen aangeven op basis van welke wettelijke bepaling aanspraak bestaat op de gevraagde vergoeding. De Raad stelt vast dat hoofdstuk VI van de WW, dat ziet op re-integratiemaatregelen, geen wettelijke grondslag biedt om de kosten van een opleiding die reeds voor de aanvraag is genoten, te vergoeden. Ook overigens ziet de Raad geen wettelijke grondslag om tot vergoeding van deze kosten over te gaan. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant met het hem ten titel van schadevergoeding toegekende bedrag van € 5.000,- zeker niet tekort is gedaan.


5.2. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.


(get.) M.A. Hoogeveen.


(get.) P. Boer.


BvW