Centrale Raad van Beroep, 19-03-2009 / 08-622 WUV


ECLI:NL:CRVB:2009:BH9356

Inhoudsindicatie
Weigering de grondslag van zijn periodieke WUV-uitkering alsnog, onder herziening van de eerder genomen besluiten, te bepalen op basis van zijn arbeid als boekhouder. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-19
Publicatiedatum
2009-04-07
Zaaknummer
08-622 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/622 WUV


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 13 december 2007, kenmerk BZ 46889, JZ/Q60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, geboren in 1943, is ingevolge een in augustus 1994 ingediende aanvraag bij besluit van 12 mei 1995, zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 13 mei 1996, door verweerster vanwege onderduik als joods kind erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij zijn de, op dat moment niet als invaliderend aangemerkte, psychosomatische rugklachten van appellant aanvaard als staande in verband met de ondergane vervolging; op basis van die klachten is toen een voorziening voor huishoudelijke hulp toegekend. Ingevolge een aanvraag van februari 2003 heeft verweerster appellant bij besluit van

15 oktober 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2004, vanwege zijn causale psychische klachten ingaande 1 februari 2003 een periodieke uitkering ingevolge de Wet toegekend. De grondslag voor de berekening van die periodieke uitkering is vastgesteld op het ingevolge de Wet geldende minimum, dit op basis van het door hem laatstelijk uitgeoefende beroep van boekhouder in WSW-verband. Het namens appellant tegen dit laatste besluit ingestelde beroep, de grondslag van de periodieke uitkering betreffende, is bij uitspraak van deze Raad van 23 juni 2005, nr. 04/1372 WUV, ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat appellant voor zijn dienstbetrekking in WSW-verband in aanmerking is gekomen wegens zijn niet met de vervolging samen-hangende doofheid, welke dienstbetrekking is aanvaard na een periode van werkloosheid, ingetreden na het faillissement van zijn vorige werkgever, [naam werkgever], en vervolgens ongeveer twintig jaar is vervuld. Onder die omstandigheden achtte de Raad de door appellant verrichte arbeid in WSW-verband terecht aangemerkt als peilberoep voor de toepassing van de Wet.


1.2. In september 2006 heeft appellant verweerster verzocht om, voorzover nog van belang, de grondslag van zijn periodieke uitkering alsnog, onder herziening van de eerder genomen besluiten, te bepalen op basis van zijn arbeid als boekhouder bij [naam werkgever]. Daartoe is aangevoerd, samengevat, dat hij na het verlies van die betrekking vanwege causale medische klachten niet meer in staat is geweest om het toen bereikte arbeidsniveau te handhaven en zelfs tot schade van zijn gezondheid heeft gewerkt.

Verweerster heeft, mede op basis van hierover uitgebrachte medische adviezen, geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe medische of andere gegevens die een ander licht werpen op het in 1996 ingenomen standpunt dat toen geen sprake was van invalidering in de zin van de Wet. Op die grond is het verzoek om herziening bij besluit van 1 februari 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, met toepassing van artikel 61, tweede lid, van de Wet afgewezen.


1.3. In beroep hebben partijen hun standpunten onder uitvoerige motivering gehandhaafd.


2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.


2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.2. Ook de Raad kan niet anders dan vaststellen dat door en namens appellant noch bij het onderhavige herzieningsverzoek, noch in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, nieuwe feiten of gegevens als onder 2.1 bedoeld naar voren zijn gebracht. Nu het hier gaat om een in 1996, naar uit de gedingstukken blijkt, op basis van medisch onderzoek en advies tot stand gekomen medisch oordeel, had het op de weg van appellant gelegen om zijn verzoek te onderbouwen met nieuwe medische gegevens die alsnog aannemelijk maken dat toen wel degelijk al van invalidering in de zin van de Wet sprake was. Een zodanig gegeven is echter niet overgelegd; de in bezwaar ingebrachte verklaring van de huisarts van appellant bevestigt slechts wat destijds al bekend was en in aanmerking is genomen, te weten dat appellant last had van psychosomatische rugklachten.


3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.


4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.


(get.) A. Beuker-Tilstra.


(get.) I. Mos.


HD