Centrale Raad van Beroep, 26-03-2009 / 07-3496 AW + 08-4787 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BI0875

Inhoudsindicatie
Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moeten verklaren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-03-26
Publicatiedatum
2009-04-16
Zaaknummer
07-3496 AW + 08-4787 AW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/3496 AW + 08/4787 AW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 mei 2007, 06/4169 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)


en


appellant


Datum uitspraak: 26 maart 2009


I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris op 30 juli 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Božilovic, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D. Winter, advocaat te ’s-Gravenhage.


II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Bij besluit van 1 augustus 2005 heeft appellant aan betrokkene met toepassing van artikel 113, eerste lid, van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie eervol ontslag verleend. Dit besluit is per aangetekende post verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, maar is retour gekomen, omdat het niet op het postkantoor werd afgehaald. Daarna heeft appellant het besluit eind oktober 2005 per gewone post aan genoemd adres verzonden.


1.2. Tegen het besluit is namens betrokkene bij brief van 17 november 2005, bij appellant binnengekomen op 22 november 2005, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2005 is binnengekomen buiten de bezwaartermijn, die volgens haar liep van 2 augustus 2005 en eindigde op 12 september 2005. Volgens de rechtbank is, anders dan betrokkene stelt, niet gebleken dat de zuster van betrokkene als gemachtigde zou optreden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant op grond van betrokkenes bezwaarschrift bekend was met haar psychische toestand en dat de bedrijfsarts daaromtrent meer gegevens zou moeten hebben. De rechtbank heeft op grond daarvan geconcludeerd dat appellant, eventueel met de bedrijfsarts, alsnog nader onderzoek had moeten doen naar de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde hier van belang en zich daarbij had dienen uit te laten of hierin redenen waren gelegen op grond waarvan de termijnoverschrijding bij het indienen van bezwaar al dan niet verschoonbaar kon worden geacht.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.


3.1. In het aanvullend bezwaarschrift van 19 januari 2006 wordt inderdaad gesproken over de psychische toestand van betrokkene, maar die wordt daar in verband gebracht met de noodzaak om een onderzoek in te stellen, alvorens tot de door appellant gehanteerde ontslaggrond te mogen concluderen, en niet met het op psychische gronden volledig buiten staat zijn om binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift in te dienen. Dat laatste is ook niet als reactie gegeven op het daarna door appellant aan de gemachtigde van betrokkene gedane verzoek om gemotiveerd aan te geven waarom eerst buiten de bezwaartermijn van zes weken bezwaar is aangetekend tegen het besluit van 1 augustus 2005.

Gelet hierop bestond er, naar het oordeel van de Raad, voor appellant geen noodzaak om nader onderzoek te doen naar de vraag of er medische gronden waren om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kon worden geacht. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte op die grond heeft vernietigd.


3.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend, nu ervan moet worden uitgegaan dat die termijn, vanwege de aangetekende verzending van het besluit aan betrokkene, op 2 augustus 2005 een aanvang nam. Noch de zuster van betrokkene, noch iemand anders stond destijds bij appellant te boek als gemachtigde van betrokkene. Vanwege betrokkene was immers eind maart 2005 aan appellant te kennen geven dat haar advocaat niet meer als haar gemachtigde optrad, terwijl uit de gedingstukken blijkt dat de zuster van betrokkene slechts eenmalig in beeld kwam, bij het huisbezoek van een bedrijfsarts in 2003.

Nu ook overigens niet is gebleken van redenen die de overschrijding van de bezwaar-termijn verschoonbaar doen zijn, had de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moeten verklaren. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen en voorts, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.


4. Uit het vorenstaande volgt dat de grondslag is komen te ontvallen aan het nieuwe, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen, besluit van 30 juli 2008. De Raad zal daarom dat besluit vernietigen.


5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 30 juli 2008.


Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2009.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) K. Moaddine.



HD