Centrale Raad van Beroep, 12-08-2009 / 08-4548 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5246

Inhoudsindicatie
Weigering toekennen ZW-uitkering. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat voldoende gemotiveerd is aangegeven dat appellant wegens zijn psychotische klachten niet binnen een maand na 30 juni 2006, de dag dat hij voor het laatst ingevolge de ZW was verzekerd, arbeidsongeschikt is geworden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-08-12
Publicatiedatum
2009-08-14
Zaaknummer
08-4548 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4548 ZW


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 16 juni 2008, 07/3495 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 12 augustus 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Stichting Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.


1.2. Appellant had met [naam werkgever] een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 februari 2006 tot 1 augustus 2006. Feitelijk heeft appellant tot en met 30 juni 2006 arbeid verricht en loon ontvangen. Op 1 augustus 2006 is de overeenkomst van rechtswege geëindigd. Appellant heeft op 20 april 2007 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) gedaan in verband met psychotische klachten. Hij heeft daarbij aangegeven twee weken na zijn ontslag op 1 augustus 2006 ziek geworden te zijn. In de bezwaar- en beroepsfase heeft appellant gesteld dat die datum hooguit tien dagen na 30 juni 2006 is gelegen.


2. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 15 augustus 2006 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de ZW. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 10 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat appellant werkzaam was op basis van een overeenkomst zonder werkgarantie maar met verschijningsplicht en dat appellant uit hoofde van deze oproepovereenkomst tot en met 30 juni 2006 verzekerd was ingevolge de ZW. De rechtbank was voorts van oordeel dat het Uwv met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2008/1 februari 2008 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant later dan een maand na de dag waarop hij voor het laatst ingevolge de ZW was verzekerd, ziek is geworden. In verband met het feit dat eerst in de fase van beroep een onderzoek is gedaan naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is de rechtbank tot de hiervoor weergegeven beslissingen gekomen.


4. In hoger beroep is uitsluitend nog de vraag aan de orde of appellant binnen een maand na 30 juni 2006 arbeidsongeschikt in de zin van de ZW is geworden.


5. De Raad overweegt in dit verband als volgt.


5.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 7 januari 2008/1 februari 2008 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat appellant wegens zijn psychotische klachten niet binnen een maand na 30 juni 2006, de dag dat hij voor het laatst ingevolge de ZW was verzekerd, arbeidsongeschikt is geworden. De Raad is in dit verband van oordeel dat de door appellant in hoger beroep overgelegde rapportage van 9 januari 2009 van drs. R.M.E. Blanker van Lechnerconsult, een bevestiging vormt van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, nu Blanker stelt dat hij voor wat de psychotische problematiek betreft in de aanwezige stukken geen aanknopingspunten kan vinden om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


5.2. Dat appellant wegens de door Blanker aangegeven vermoeidheidsklachten en klachten van slapeloosheid binnen een maand na 30 juni 2006 arbeidsongeschikt zou zijn geworden, acht de Raad niet aannemelijk. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 5 maart 2009. Zoals deze heeft opgemerkt is hierover in de journaalregels van de huisarts van 29 juli 2008 niets terug te vinden. De Raad houdt het er dan ook voor dat appellant zich niet specifiek voor deze klachten bij de huisarts gemeld heeft. In de handgeschreven toevoeging van de huisarts: “Gevolg van herstarten Zyproxa is dat hij in de maanden juni, juli-augustus nog veel last heeft gehad van moeheid en slapeloosheid, wat normaal is bij deze medicatie” ziet de Raad in navolging van de bezwaarverzekeringsarts dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant binnen een maand na 30 juni 2006 als gevolg van deze klachten arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Daarbij neemt de Raad voorts in aanmerking dat appellant tegenover de bezwaarverzekeringsarts geen melding heeft gemaakt van deze klachten. De hierop gegeven reactie van Blanker van 6 april 2009 doet hier niet aan af.


6. Nu geoordeeld moet worden dat appellant niet binnen een maand na 30 juni 2006 arbeidsongeschikt is geworden, leidt toepassing van artikel 46 van de ZW ertoe dat geen recht bestaat op een uitkering ingevolge deze wet. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering.


7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.


8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) I.R.A. van Raaij.


EV