Centrale Raad van Beroep, 27-08-2009 / 08-1669 AW en 08-3644 AW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7030

Inhoudsindicatie
Ondanks uitdrukkelijke toezegging wordt appellant niet aangesteld in de functie van senior onderwijscoördinator. Procesbelang: de rechtbank heeft het beroep ten onrechte (...) niet-ontvankelijk verklaard. Geen schadevergoeding: het niet verkrijgen van de vertrekpremie is een gevolg van handelen vanwege het college, het betreft deze toezegging en niet het thans bestreden besluit of het daarbij gehandhaafde besluit van 16 november 2006. Dit laatste besluit hield immers de weigering in om appellant aan te stellen, hetgeen juist een reden voor het aanvaarden van een betrekking elders en ontslag bij de Universiteit Twente kon zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-08-27
Publicatiedatum
2009-09-07
Zaaknummer
08-1669 AW en 08-3644 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2010/13
Uitspraak

08/1669 AW en 08/3644 AW



Centrale Raad van Beroep



Meervoudige kamer



U I T S P R A A K



op het hoger beroep van:


[appellant], (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 februari 2008, 07/451 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van Bestuur van de Universiteit Twente (hierna: college)



Datum uitspraak: 27 augustus 2009



I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 3 april 2008 een (aanvullende) beslissing op bezwaar genomen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat te Harderwijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H. Willems-Holshof, werkzaam bij de Universiteit Twente.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Appellant was werkzaam als universitair docent bij de leerstoel Scheidingstechnologie van de faculteit Technische Natuurwetenschappen (TNW) van de Universiteit Twente.


1.2. Op 10 juli 2006 heeft het college in het kader van een reorganisatieplan besloten voornoemde leerstoel en daarmee onder meer ook de functie van appellant op te heffen. In verband hiermee is appellant als herplaatsingskandidaat aangemerkt.


1.3. De herplaatsingscommissie heeft appellant op 29 augustus 2006 op de hoogte gesteld van de bij de faculteit TNW bestaande vacature van senior onderwijscoördinator Chemische Technologie. Op 12 oktober 2006 heeft appellant vervolgens een oriënterend gesprek gevoerd met V, lid van genoemde commissie, en enkele vertegenwoordigers van de faculteit onder wie P. Omdat twijfel bestond of appellant over de voor de vervulling van de functie vereiste kwaliteiten beschikte, is op dezelfde dag een vervolggesprek met appellant gevoerd door V en P, voornoemd. Aan het eind van het gesprek heeft P geconcludeerd dat appellant in de functie kon worden aangesteld. Appellant is op zijn verzoek echter nog enkele dagen bedenktijd gegeven. Op maandag 16 oktober 2006 heeft appellant aan V meegedeeld dat hij graag in de functie wilde worden aangesteld. Blijkens de gedingstukken zijn V en appellant er toen van uitgegaan dat appellant althans voor een (proefperiode van een) jaar in de functie zou worden aangesteld.


1.4. Bij besluit van 16 november 2006 heeft de herplaatsingscommissie, naar valt aan te nemen namens het college, aan appellant bericht dat hij niet in aanmerking komt voor plaatsing in de functie van senior onderwijscoördinator bij de faculteit TNW. Daarbij is uiteengezet dat uit vanwege de commissie met vertegenwoordigers van de faculteit nader gevoerde gesprekken is gebleken dat bij de faculteit de opvatting leeft dat appellant onvoldoende ervaring heeft om de functie op het gewenste niveau te kunnen uitoefenen en dat daar onvoldoende vertrouwen bestaat dat appellant de vereiste competenties binnen redelijke termijn kan verwerven.

Bij het bestreden besluit van 12 april 2007 heeft het college na door appellant gemaakt bezwaar het besluit van 16 november 2006 gehandhaafd.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover daarbij is verzuimd te beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, en het college opgedragen alsnog een beslissing op dat verzoek te nemen, dit met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over de weigering hem aan te stellen als senior onderwijscoördinator, nu hem per 1 september 2007 op eigen verzoek ontslag is verleend wegens het aanvaarden van een functie elders.


3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.


3.1.1. Appellant meent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, nog een (financieel) belang te hebben bij een rechterlijk oordeel over de onder 1.4 bedoelde weigering. Hij heeft er daarbij op gewezen dat zijn functie van universitair docent in salarisschaal 11 is ingedeeld en dat bij de functie van senior onderwijscoördinator de salarisschaal 12, en daarmee een hoger salaris, behoort. Appellant is dus salaris misgelopen. De Raad overweegt hieromtrent dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 9 december 2004, LJN AR7791) het enkele feit dat door appellant wordt gesteld - en niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - dat ten gevolge van het door hem bestreden besluit schade is geleden, voldoende grond vormt om nog een belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling door de rechter van het geschil en een daaruit mogelijk volgende vernietiging van het bestreden besluit, aanwezig te achten. In dit licht moet, gezien hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, worden geoordeeld dat appellant een procesbelang in deze aangelegenheid niet kan worden ontzegd. De rechtbank heeft het beroep van appellant dan ook ten onrechte in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor dit deel te worden vernietigd.


3.1.2. Gelet op het belang van finale geschilbeslechting en het kennelijke standpunt van partijen daarover zal de Raad de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar deze hierna zelf inhoudelijk beoordelen.


3.1.3. Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde is voor de Raad komen vast te staan dat appellant medio oktober 2006 door de herplaatsingscommissie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat hij zou worden aangesteld in de functie van senior onderwijscoördinator. Daarbij is van belang dat appellant onweersproken heeft te kennen gegeven dat de voltallige commissie in de tijd, gelegen tussen de beide op 12 oktober 2006 met hem gevoerde gesprekken, bijeen is geweest om over zijn kandidatuur te overleggen. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat de onder 1.3 vermelde conclusie van P en V aan het eind van het tweede gesprek namens de herplaatsingscommissie is gedaan. Deze commissie is, naar tussen partijen niet als betwist geldt, bevoegd om (namens het college) tot aanstelling te besluiten. De commissie was in beginsel verplicht zich aan de door haar aan appellant gedane toezegging te houden. Dit spreekt te meer nu de toezegging voor appellant gedragsbepalend is geweest. Zo heeft hij al op 16 oktober 2006 een sollicitatie naar een functie buiten de Universiteit Twente ingetrokken. Bovendien is hem in oktober 2006 een aanbod gedaan voor een functie, dat hij, naar hij stelt en de Raad aannemelijk voorkomt, wegens de toezegging niet heeft aanvaard.

Pas na de toezegging is de commissie gebleken van bij de faculteit TNW bestaande ernstige twijfel over de geschiktheid van appellant voor de functie. Niet duidelijk is waarom de commissie hiervan niet al voor de toezegging werd gedaan, op de hoogte had kunnen zijn, zeker nu bij beide gesprekken op 12 oktober 2006 ook vertegenwoordigers van de faculteit bij de procedure waren betrokken. Wat hier ook van zij, deze ernstige twijfel kon en mocht er naar het oordeel van de Raad gezien de appellant gedane toezegging niet aan in de weg staan dat appellant althans voor een proefperiode van een jaar - als ook vermeld in artikel II.3.1.7. van het Sociaal Statuut Universiteit Twente - in de door hem geambieerde functie werd benoemd.


3.1.4. Hieruit volgt dat het bestreden besluit, inhoudende handhaving van het besluit van 16 november 2006, voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep gegrond moet worden verklaard. Nu appellant niet alsnog in de betrokken functie wenst te worden aangesteld, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.


3.2. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van 3 april 2008. Bij dit besluit heeft het college het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, afgewezen omdat het besluit van 16 november 2006 niet is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtmatigheid van het besluit van 16 november 2006 is evenwel door hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen en geoordeeld in een ander licht komen te staan. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak ook op dit onderdeel te vernietigen. De inhoud van die uitspraak kon immers niet leiden tot juiste nadere besluitvorming door het college. Dit brengt met zich dat aan het besluit van 3 april 2008 de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.


3.3. Appellant heeft de Raad verzocht het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij in dit geval stelt te hebben geleden. In dit verband heeft hij aangevoerd dat hij aanspraak had op een vertrekpremie van negen bruto maandsalarissen, inclusief de daarbij horende vakantiegelduitkering, indien hij voor 1 december 2006 ontslag had genomen. Van aanvaarding van een betrekking bij een andere werkgever en daarmee van dit ontslag is het niet gekomen omdat appellant de toezegging is gedaan dat hij in de functie van senior onderwijscoördinator zou worden aangesteld. De Raad overweegt dat als het niet verkrijgen van de vertrekpremie een gevolg is van handelen vanwege het college, het deze toezegging betreft en niet het thans bestreden besluit of het daarbij gehandhaafde besluit van 16 november 2006. Dit laatste besluit hield immers de weigering in om appellant aan te stellen, hetgeen juist een reden voor het aanvaarden van een betrekking elders en ontslag bij de Universiteit Twente kon zijn. Dit betekent dat voor voormelde, door appellant gestelde schade geen vergoeding langs de weg van artikel 8:73 van de Awb kan worden toegekend.

Daarnaast merkt de Raad op dat aan de functie van senior onderwijscoördinator weliswaar de salarisschaal 12 was verbonden maar dat er niet van kan worden uitgegaan dat appellant in geval hij in 2006 overeenkomstig de toezegging in die functie was aangesteld (al) in de proefperiode van een jaar naar die schaal zou zijn gesalarieerd. Voor de hand ligt aan te nemen dat dit de aanloopschaal 11 zou zijn geweest. Verder is in de gegeven omstandigheden zeer onzeker of appellant na de proefperiode definitief in de functie zou zijn aangesteld en zo dit zou zijn gebeurd of hem dan meteen een salaris naar schaal 12 zou zijn toegekend. De vooruitzichten van appellant in die situatie zijn naar het oordeel van de Raad te onvoorspelbaar en te speculatief van aard om daarop een voor inwilliging vatbaar verzoek om schadevergoeding te kunnen baseren.


4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van telkens € 644,- voor verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 april 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Vernietigt het besluit van 3 april 2008;

Wijst het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt het college in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.932,-;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.



(get.) H.A.A.G. Vermeulen.



(get.) P.W.J. Hospel.



HD

Q