Centrale Raad van Beroep, 15-09-2009 / 08-5305 WWB


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8217

Inhoudsindicatie
Medeterugvordering op grond van vermeende gezamenlijke huishouding. De Raad stelt vast dat het College zijn besluit om de kosten van de aan M. over de periode van 8 januari 2004 tot 31 oktober 2006 verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen heeft genomen in zijn hoedanigheid van bijstandverlenend orgaan van de gemeente De Ronde Venen. Voorts staat op grond van de gedingstukken vast dat appellant niet in die gemeente, maar in de gemeente Loenen woonachtig was. Dat betekent dat het aan het College in de hoedanigheid van bijstandverlenend orgaan van de gemeente De Ronde Venen niet ter beoordeling stond of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-15
Publicatiedatum
2009-09-23
Zaaknummer
08-5305 WWB
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/5305 WWB


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2008, 07/2261 en 08/245 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (hierna: College)


Datum uitspraak: 15 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld.


Het College heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Heidebrink, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.


II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1[M.] (hierna: [M.]) ontving sedert 8 januari 2004 vanwege de gemeente De Ronde Venen bijstand aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 6 mei 2004 naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van het bij de gemeente De Ronde Venen gerezen vermoeden dat [M.] met appellant een gezamenlijke huishouding voert, heeft de sociale recherche onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan [M.] verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is vastgesteld dat [M.] en appellant een gezamenlijke huishouding voeren op het adres van appellant in de gemeente Loenen.


1.2. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, waarvan het resultaat is neergelegd in het rapport van 28 november 2006, heeft het College de bijstand van [M.] met ingang van 8 januari 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 8 januari 2004 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 49.317,69.


1.3. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het College het hiervoor genoemde bedrag mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het College het tegen het besluit van 22 maart 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


2. Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 juli 2007 ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat de bij dat besluit gehandhaafde terugvorderingsbesluit in rechte stand kon houden.


3. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of dit oordeel van de rechtbank juist is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.


4.2. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 20 mei 2008, LJN BD2913, brengt de vaststelling dat een persoon geen woonplaats heeft in de gemeente waar hij stelt recht op bijstand te hebben, mee dat de betrokkene reeds op die grond geen recht heeft op bijstand jegens die gemeente. In dat geval staat het niet aan het bijstandverlenend orgaan van die gemeente ter beoordeling of de betrokkene in de gemeente waarin hij wel woonde een gezamenlijke huishouding voerde met een ander. In het verlengde daarvan staat het evenmin ter beoordeling aan het betreffende bijstandverlenende orgaan of ten aanzien van die ander is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.


4.3. De Raad stelt vast dat het College zijn besluit om de kosten van de aan [M.] over de periode van 8 januari 2004 tot 31 oktober 2006 verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen heeft genomen in zijn hoedanigheid van bijstandverlenend orgaan van de gemeente De Ronde Venen. Voorts staat op grond van de gedingstukken vast dat appellant niet in die gemeente, maar in de gemeente Loenen woonachtig was. Dat betekent dat het aan het College in de hoedanigheid van bijstandverlenend orgaan van de gemeente De Ronde Venen niet ter beoordeling stond of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.


4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de medeterugvordering van de kosten van de aan [M.] over de periode van 8 januari 2004 tot 31 oktober 2006 verleende bijstand van appellant op een ondeugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 4 juli 2007 wegens strijd met 7:12, eerste lid, van de WWB vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding het besluit van 22 maart 2007 te herroepen nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond berust en dit verzuim niet kan worden hersteld.


5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellant in de verschillende procedures heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op € 6,30 aan reiskosten in bezwaar, in totaal op € 1.938,30.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 juli 2007;

Herroept het besluit van 22 maart 2007;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant in bezwaar, in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.938,30 te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2009.


(get.) J.F. Bandringa.


(get.) M. Pijper.


IJ