Centrale Raad van Beroep, 17-09-2009 / 07-6774 WAO


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8359

Inhoudsindicatie
Herziening WAO-uitkering naar een mate van 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid. Kennelijke misslag geen aanleiding tot vernietiging aangevallen uitspraak. Toename arbeidsongeschiktheid? De Raad is van oordeel dat de bva in het rapport voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat de ontvangen medische informatie geen reden tot twijfel geeft aan het oordeel dat appellante belastbaar is conform de FML van 26 januari 2006. De Raad acht het in dit verband niet onzorgvuldig dat de bva zelf geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. In tegenstelling tot hetgeen namens appellante is aangegeven, is het voor de beoordeling van de beperkingen door de bva niet altijd noodzakelijk een lichamelijk onderzoek bij de betrokkene te verrichten. Geschiktheid functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-17
Publicatiedatum
2009-09-24
Zaaknummer
07-6774 WAO
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

07/6774 WAO


Centrale Raad van Beroep


Meervoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats], België, (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2007, 06/3227 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 17 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009. Appellante noch haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Op 8 januari 2005 heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met hartklachten.


1.2. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 mei 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij dit besluit heeft het Uwv het eerder genomen herzieningsbesluit van 23 maart 2006 ingetrokken, aangezien hierin abusievelijk was vermeld dat appellante in de periode voorafgaande aan dat besluit een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving naar de mate van 45 tot 55%.


1.3. Appellante heeft tegen de herziening bezwaar gemaakt. Nadat de bezwaarverzekeringsarts op 8 mei 2006 gerapporteerd had, heeft het Uwv bij besluit van 1 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar tegen de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 23 mei 2006 ongegrond verklaard. Als gevolg van de nadere beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv de WAO-uitkering voorts vanaf 7 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek en heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven en geoordeeld dat van een verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage in bezwaar in dit geval geen sprake is geweest.


3.1. In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat het Uwv niet duidelijk gemotiveerd heeft aangegeven over welke periode appellante recht heeft op een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verder is betwist dat sprake is geweest van kennelijke verschrijvingen in het besluit van 23 maart 2006 en in het bestreden besluit van 1 juni 2006. Ten slotte is aangegeven dat de gezondheidstoestand van appellante sedert februari 2005 niet is verbeterd en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is afgeweken van de rapportage van het Ziekenhuis

Oost-Limburg/Hartcentrum Limburg van 23 december 2005.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1. In aanvulling op het besluit van 23 maart 2006 heeft het Uwv in een brief van 28 maart 2006 melding gemaakt van een kennelijke misslag en tevens meegedeeld dat de WAO-uitkering van appellante vanaf 23 mei 2006 wordt herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Vervolgens heeft het Uwv het besluit van 23 maart 2006 vervangen door een nieuw besluit van 10 april 2006 waarin de herziening van de uitkering met ingang van 23 mei 2006 is bevestigd. Het bestreden besluit van 1 juni 2006 bevat onder meer een verwijzing naar het reeds herroepen besluit van 23 maart 2006, maar tevens de handhaving van het besluit van het Uwv van 10 april 2006. De Raad constateert uit het voorgaande dat de strekking van de opeenvolgende besluiten steeds duidelijk is geweest, namelijk herziening van de WAO-uitkering van appellante naar de mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55% met ingang van 23 mei 2006. De Raad ziet in zoverre dan ook geen aanleiding tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.


4.2. Na de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de verzekeringsarts R. Kox het medisch dossier van appellante bestudeerd en op 29 september 2005 een lichamelijk onderzoek verricht. Vervolgens is informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog. In zijn rapportage van 26 januari 2006 heeft Kox de betreffende informatie besproken waarna een functionele mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld. Kox heeft geconcludeerd dat de verstrekte gegevens niet leiden tot een andere visie met betrekking tot de eerder vastgestelde beperkingen. Appellante wordt geschikt geacht voor arbeid met voldoende afwisseling, licht rugsparend van aard met enkele lichte beperkingen bij het lopen en staan.

De bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff is in haar rapportage van 8 mei 2006 eveneens ingegaan op de opmerkingen van de cardioloog en heeft in haar beoordeling tevens de bevindingen van medici betrokken tot wie appellante zich in het verleden had gewend. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in het rapport voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat de ontvangen medische informatie geen reden tot twijfel geeft aan het oordeel dat appellante belastbaar is conform de FML van 26 januari 2006. De Raad acht het in dit verband niet onzorgvuldig dat de bezwaarverzekeringsarts zelf geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. In tegenstelling tot hetgeen namens appellante is aangegeven, is het voor de beoordeling van de beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts niet altijd noodzakelijk een lichamelijk onderzoek bij de betrokkene te verrichten.


4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op het vorenstaande, geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aan de juistheid en volledigheid van de medische beperkingen die op basis van het resultaat van dat onderzoek zijn vastgesteld.


4.4. Het Uwv heeft in navolging van de arbeidsdeskundige appellante geschikt geacht voor de functies van telefoniste/receptioniste, produktiemedewerker textiel en chauffeur bijzonder vervoer. In de rapportages van de arbeidsdeskundige van 15 maart 2006 en de bezwaararbeidsdeskundige van 29 mei 2006 is een uitvoerige toelichting gegeven op alle in de geselecteerde functies voorkomende signaleringen. In een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 31 mei 2006 zijn de vragen beantwoord die in de hoorzitting aan de orde zijn gesteld. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundigen omtrent de geschiktheid van de geduide functies voor appellante.


5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. de Mooij en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.


(get.) M.M. van der Kade.


(get.) B.E. Giesen.


RB