Centrale Raad van Beroep, 23-09-2009 / 08-4433 WIA


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8481

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. De bva heeft genoegzaam uiteengezet dat uit de in beroep in geding gebrachte medische verklaringen van de behandelend sector noch uit de rapportage van Aob Compaz volgt dat appellant zwaarder of meer beperkt is dan is vastgesteld in de FML. Tevens is genoegzaam toegelicht waarom de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zodat er van moet worden uitgegaan dat appellant deze functies kan verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-23
Publicatiedatum
2009-09-24
Zaaknummer
08-4433 WIA
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/4433 WIA


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2008, 07/4542 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellant


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 23 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest ingezonden.


Namens appellant is een rapportage van Aob Compaz in geding gebracht, waarop door het Uwv onder toezending van een rapportage van voornoemde bezwaarverzekeringsarts is gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.


II. OVERWEGINGEN


1.1. Appellant heeft zich ingaande 19 september 2005 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werkzaamheden als timmerman.


1.2. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 5 juli 2007 medegedeeld dat er voor hem ingaande 17 september 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.


2. Bij besluit van 5 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2007 ongegrond verklaard.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening hebben gehouden met de beperkingen uit elleboogklachten en vaatproblematiek, die in maart 2008 aanleiding heeft gegeven tot de bypassoperatie aan het linker been. Voorts is bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling betrokken dat er bij appellant sprake is van een spastische dikke darm. De rechtbank heeft in hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd - en in de toegezonden medische stukken - geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het standpunt van appellant dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 juni 2007. De stelling van appellant dat hij in het kader van de Werkloosheidswet is vrijgesteld van sollicitatieplicht, maakt dit niet anders naar het oordeel van de rechtbank.


4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de ernst van zijn beperkingen heeft miskend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een op 3 november 2008 gedateerde rapportage van Aob Compaz in geding gebracht, die op verzoek van de gemeente Rotterdam in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) is opgesteld. Verder heeft appellant gesteld dat de door hem ondergane behandelingen - de bypassoperatie in maart 2008 en de elleboogoperatie begin 2008 - slechts in beperkte mate hebben geleid tot een verbetering van zijn klachten en geleid hebben tot nieuwe klachten. Appellant heeft betoogd dat het risico hiervoor reeds ten tijde in geding aanwezig was. Appellant acht zich niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten.


5. De Raad overweegt als volgt.


5.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts Van Geest in haar rapportages van 1 september 2008 en 2 december 2008 genoegzaam heeft uiteengezet dat uit de in beroep in geding gebrachte medische verklaringen van de behandelend sector noch uit de rapportage van Aob Compaz volgt dat appellant ten tijde in geding, 17 september 2007, zwaarder of meer beperkt is dan is vastgesteld in de FML van 15 juni 2007. De verzekeringsartsen hebben bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant rekening gehouden met zowel de vaatproblematiek als de elleboogklachten. Van Geest heeft in haar rapportages van 1 oktober 2007 en 23 januari 2008 voorts afdoende toegelicht dat de klachten van de spastische dikke darm geen aanleiding geven om beperkingen te formuleren. De Raad acht het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt niet onjuist dat bij de onderhavige beoordeling geen rekening gehouden kan worden met eventuele behandelingen in de toekomst en/of eventuele daaruit voortvloeiende complicaties. De Raad is uit de verklaringen van de chirurg H.A. Josaputra van 8 januari 2008 en de chirurg R.G.S. van Eps van 28 januari 2008 ook niet gebleken dat ten tijde in geding te verwachten was dat de medische situatie van appellant binnen drie maanden - al dan niet door in het vooruitzicht gestelde operaties - zou verergeren of wijzigen. Van Geest heeft bij rapportage van 2 december 2008 naar het oordeel van de Raad verder genoegzaam gemotiveerd waarom voor dit geschil geen relevante betekenis toekomt aan de rapportage van Aob Compaz.


5.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. De bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft de functies medewerker binderij (sbc-code 268030), houtwarensamensteller (sbc-code 262140) en samensteller (sbc-code 271130) geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op 34,5%. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 15 juni 2007, wordt naar het oordeel van de Raad in de rapportage van 30 oktober 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt en de rapportage van 22 juni 2007 van de arbeidsdeskundige C.E.F. de Kok genoegzaam toegelicht waarom de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zodat er van moet worden uitgegaan dat appellant deze functies kan verrichten.


6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) I.R.A. van Raaij.


TM