Centrale Raad van Beroep, 30-09-2009 / 08-5152 ZW


ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9662

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Niet voldoende onderzocht en gemotiveerd waarom de genoemde uitzondering in het onderhavige geval van toepassing moet worden geacht. Vernietiging besluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2009-09-30
Publicatiedatum
2009-10-09
Zaaknummer
08-5152 ZW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

08/5152 ZW


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


op het hoger beroep van:


[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),


tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 juli 2008, 07/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


appellante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).


Datum uitspraak: 30 september 2009


I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.G.M. Hovius, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hovius. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.


II. OVERWEGINGEN


1. Appellante was werkzaam als montagemedewerkster bij Union toen zij in juni 1991 voor dit werk uitviel met psychische klachten. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een medische en arbeidskundige herbeoordeling van het recht op uitkering heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2002 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 mei 2002 ingetrokken. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van de arbeidsdeskundige K. van Dijk-van Beek van 6 maart 2002 waarin is aangegeven dat appellante geschikt kan worden geacht voor onder meer de functies van medewerkster pluimveeslachterij, samensteller metaalproducten en printplaatmonteur. Appellante heeft zich vervolgens vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per 27 maart 2007 ziek gemeld met vermoeidheidsklachten, vergeetachtigheid en depressiviteit. Op het spreekuur van 13 september 2007 is appellante in het kader van de Ziektewet (ZW) door de verzekeringsarts J.B.C. van Mil onderzocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante niet ongeschikt is te achten om de functies, die haar zijn voorgehouden in het kader van de eerdere WAO-beoordeling, te verrichten. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 14 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen het besluit van 13 september 2007 gemaakte bezwaar is, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen, bij besluit van 16 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3. De Raad oordeelt als volgt.


3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts Van Mil en de bezwaarverzekeringsarts Van Wageningen niet voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij tekent de Raad aan dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en bij de beoordeling de informatie van de neuroloog en de huisarts – waaruit blijkt dat sprake is van een geheugenstoornis zonder aanwijsbare neurologische pathologie – heeft meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en appellante vervolgens op het spreekuur van 9 oktober 2007 lichamelijk en psychisch onderzocht, waarbij deze tot de conclusie is gekomen dat bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag, hoge bloeddruk en maagklachten. Met deze beperkingen wordt appellante in staat geacht voor psychisch niet belastende en fysiek niet zware werkzaamheden, aldus Van Wageningen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Van Wageningen in haar rapportages van 25 november 2008 en 13 augustus 2009 genoegzaam heeft gemotiveerd waarom er rond de datum in geding geen aanwijzingen waren voor andere aandoeningen die tot een wijziging van de belastbaarheid van appellante zouden moeten leiden. De overgelegde informatie van de huisarts van 12 augustus 2009 kan, mede gelet op bovengenoemde reactie van Van Wageningen, niet tot een ander oordeel leiden, nu deze geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. De Raad ziet, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.


3.2. De Raad is niettemin van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en overweegt daartoe het volgende.


3.3. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.


3.4. Uit hetgeen onder 1 is weergegeven blijkt dat het Uwv in het onderhavige geding als ‘zijn arbeid’ de functies, die aan appellante zijn voorgehouden in het kader van de eerdere WAO-beoordeling, heeft aangemerkt. In dit kader heeft de Raad overwogen dat uit de gedingstukken is gebleken dat appellante na de intrekking van haar WAO-uitkering per 8 mei 2002 in de periodes van 15 december 2003 tot en met 2 april 2004, 7 december 2004 tot en met 24 december 2004, 1 december 2005 tot en met 31 december 2005 en op 20 januari 2006 arbeid heeft verricht. Deze arbeid betrof werkzaamheden in de functies van receptioniste/telefoniste en postbode. Hieruit volgt dat sprake is van hervatting in enig werk. Naar het oordeel van de Raad is niet komen vast te staan dat appellante in het laatst verrichte werk dusdanig matig heeft gefunctioneerd dat niet van een reële arbeidsprestatie kan worden gesproken. De enkele verwijzing van het Uwv naar de omstandigheid dat desbetreffende periodes niet tot een nieuw WW-recht voor appellante hebben geleid, acht de Raad in dit licht onvoldoende. De Raad is dan ook van oordeel dat niet voldoende is onderzocht en gemotiveerd waarom de onder 3.3 genoemde uitzondering in het onderhavige geval van toepassing moet worden geacht.


3.5. Gelet op hetgeen onder 3.4. is overwogen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze is voorbereid en dientengevolge een draagkrachtige motivering ontbeert. Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal worden vernietigd en het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.


3.6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De proceskosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.


(get.) C.P.J. Goorden.


(get.) J.M. Tason Avila.


EK